Hun of hen?


Wanneer is hen juist en wanneer hun?


Gebruik hen in de volgende gevallen:

  1. Na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: 'Ik geef het boek aan hen'; 'Ik deed het voor hen'; 'Zijn houding jegens hen'; 'Hoe gaat het met hen?'; 'Hij blijft altijd bij hen.'
  2. Als lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: 'Ik bekijk hen'; 'Hij ontslaat hen'; 'Zij mijdt hen.'

Gebruik hun in de volgende gevallen:

  1. Om bezit uit te drukken: 'Hun auto is stuk.'
  2. Als hun vervangbaar is door een voorzetsel(groep) (aan, voor, bij, volgens, met betrekking tot, ten aanzien van enz.) + hen. Het is dan een indirect object (een meewerkend, belanghebbend of ondervindend voorwerp). Voorbeelden:
    • Ik geef hun het boek (hun is vervangbaar door aan hen)
    • Hij schonk hun een borrel in (hun is vervangbaar door voor hen)
    • Hij rookt hun te veel (hun is vervangbaar door volgens hen)
    • De Noordkaap is hun te ver (hun is vervangbaar door voor hen)
    • De tranen stonden/sprongen hun in de ogen (hun is vervangbaar door bij hen)

Lukt het u niet om met deze vuistregels uw twijfel op te lossen, gebruik dan ze: in niet al te formele teksten is dit vaak prima bruikbaar als alternatief voor hen én hun: 'Ik geef ze (hun) het boek', 'Laat ze (hen) maar praten.'

Overigens is het nog maar de vraag hoelang het zinvol blijft het verschil tussen hun en hen aan te houden. Het is een verschil dat al lang niet meer 'leeft' in het dagelijks taalgebruik. Het is dan ook een bedacht onderscheid; de zeventiende-eeuwse wetenschapper Christiaen van Heule wordt beschouwd als de bedenker ervan. Tegenwoordig gaan veel taalgebruikers ervan uit dat alleen hen juist is in een zin als 'Hen vraag ik niets meer!', terwijl volgens de regels 'Hun vraag ik niets meer!' juist zou zijn. Volgens de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) mag er bij dit soort hen/hun-kwesties niet van 'fouten' worden gesproken.

Hun als onderwerp (zoals in 'Hun hebben er helemaal geen verstand van') wordt trouwens nog wél als echt fout gezien; zie ons advies hierover elders op deze website.



Ruim 600 hen/hun-voorbeelden

Hieronder staat een lijst met honderden werkwoorden (en uitdrukkingen) waarbij vaak getwijfeld wordt over de vraag of je ze met hun of met hen moet combineren. Deze lijst kan altijd aangevuld worden. Hebt u een werkwoord waarvan u vindt dat het in deze lijst thuishoort of zijn er andere gevallen waarover u twijfelt, stuur ons dan een mailtje.

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

A

aanbevelen: ik beval hun de sliptong aan
aanbidden: de kinderen aanbidden hen
aanbieden: ik bied hun mijn excuses aan
aandoen: ik deed hun een proces aan
aandoen: hoe kon je hun dat aandoen?
aandoen: ik doe hun de kleren aan
aangaan: dat gaat hen niets aan
aangenaam zijn: de kennismaking was hun zeer aangenaam
aangeven: ik geef hun de aardappels aan
aangrijnzen: de honger grijnst hen aan
aangrijpen: het heeft hen erg aangegrepen
aanhouden: de politie hield hen aan
aanjagen: het joeg hun angst aan
aankijken: zij keek hen niet aan
aankleden: hij wekte de kinderen en kleedde hen aan
aankleven: hun vaders wangedrag kleeft hun aan
aanleren: ik leer hun de regels aan
aanmoedigen: we moedigden hen aan; ik moedig hen aan om vol te houden
aannaaien, een oor -: ze naaiden hun een oor aan
aanpraten: hij praatte hun een schuldgevoel aan
aanraden: ik raad hun aan een hoger bod uit te brengen
aanreiken: ik reik hun de boeken aan
aanrekenen: ik reken hun dit fiasco ten zeerste aan
aansmeren: hij smeerde hun een oude auto aan
aansporen: ik spoorde hen aan door te werken
aanspreken: dat spreekt hen wel aan
aanstaan: de gang van zaken stond hun niet erg aan
aanstaren: hij staart hen langdurig aan
aantrekken (iemand iets -): ik trek hun de kleren aan
aanvuren: we vuurden hen hartstochtelijk aan
aanwaaien: het komt hun allemaal maar aanwaaien
aanwijzen: ik wijs hun de bezienswaardigheden aan; de leraar wees hen een voor een aan
aanzien: de zorgen waren hun aan te zien
achternagaan: je kunt hen beter niet achternagaan
achternagooien: ik gooide hun de tas achterna
achternalopen: de dreumes liep hen overal achterna
achternaroepen: hij riep hun van alles achterna
achternavliegen: ik ben hen meteen achternagevlogen
achternazitten: de politie zat hen achterna
adviseren: wij adviseren hun om de trein te nemen; hij adviseerde hen al jaren
afgaan, goed -: het gaat hun goed af
afhandig maken: ik heb het hun afhandig gemaakt
aflossen: ik los hen af
afluisteren: ik luisterde hen af
afnemen, (niet) in dank -: ik neem het hun (niet) in dank af
afnemen: alles werd hun afgenomen
afpakken: ik pak hun de bal af
afpersen: hij perste hun veel geld af (veel geld is lijdend voorwerp); hij perste hen af (hen is lijdend voorwerp)
afraden: ik raad hun af nu te verhuizen
afronselen: alles wat ze bezaten werd hun afgeronseld
afsnauwen: hij snauwde hen af
afstaan: ik stond hun zelfs mijn huis af
aftroggelen: hij troggelde hun al hun geld af
afvallen: zij verwachtten haar steun, maar zij viel hen af
afwijzen: zij wees hen af
angstig te moede zijn: het is hun angstig te moede
antwoorden: ik antwoordde hun direct

naar boven

B

baas, de - zijn: wij waren hun de baas
bakken, een poets -: ze bakte hun een poets
baten: het baat hun niets
beboeten: de politie beboette hen
bedanken: de jubilaris bedankte hen
bedeleven: de stenen bedolven hen
bederven: die ouders stellen geen grenzen voor hun kinderen; ze bederven hen
bedienen: de kok bediende hen zelf
bedonderen/bedotten: zij bedonderden/bedotten hen
bedreigen: zij bedreigden hen
beetnemen: zij namen hen beet
begeleiden: ik begeleidde hen
begraven: zij begroeven hen
begrijpen: zij begreep hen niet
behagen: dat behaagde hun zeer
behulpzaam zijn: ik ben hun behulpzaam
bekend voorkomen: het kwam hun bekend voor
bekend zijn: hier was hun niets van bekend
bekendmaken: ik maak het hun morgen bekend
bekennen: hij bekende hun zijn wandaden
bekomen: het gekruide eten bekwam hun slecht
bekruipen: een angstig gevoel bekroop hen
beledigen: hij beledigde hen
beletten: de bewaker belette hun door te lopen
believen: het belieft hun aanwezig te zijn
beloven: ik beloofde hun goed op te passen
benadelen: we hebben hen benadeeld
benemen: de hitte benam hun de adem
benijden: ik benijd hen
bereiken: het bericht bereikte hen nog net op tijd
berekenen: hij berekende hun veel te weinig voor die klus
berichten: ik bericht het hun
berokkenen: hun wordt schade berokkend
berouwen: het berouwt hun
beschermen: het vuur beschermde hen tegen de kou
beschikking, ter - staan: het staat hun ter beschikking
beschoren zijn: hun was een gelukkig leven beschoren
besparen: ik bespaar het hun
bespotten: zij bespotte hen
best, wel - zijn: het was hun wel best zo
betalen: ik betaal hun honderd euro (bedrag als lijdend voorwerp); ik heb hen al betaald (hen is lijdend voorwerp)
betamen: dat gedrag betaamde hun niet
betreffen: het betreft hen
betoveren: zij betoverde hen
beu zijn: ik was hen beu
beurt, te - vallen: een grote eer viel hun te beurt
bevallen: het beviel hun goed
bevelen: ik beveel het hun
bevreemden: het bevreemdde hun/hen (beide mogelijk)
bezielen: wat bezielde hen?
bewegen: ik wil weten wat hen beweegt
bewijzen: ik kon hun bewijzen dat ik de waarheid sprak
bezighouden: hij hield hen uren bezig
bezoeken: zij bezocht hen trouw elke vrijdag
bezorgen: ik bezorgde hun een leuke dag
bezuren: dat zal hun bezuren
bieden: zij bood hun 50 euro
bijblijven: het bleef hun bij
bijbrengen: een plons water brengt hen wel weer bij
bijbrengen: hij bracht hun interesse voor klassieke muziek bij
bijstaan: een advocaat stond hen bij
bijvallen: de anderen vielen hen bij
binden: er is veel dat hen bindt
blaam treffen: hen treft geen blaam
blijken: dat bleek hun te veel
blinddoek, een - voor ogen houden: ik hield hun een blinddoek voor ogen
bloed, het - onder de nagels vandaan halen: ik haalde hun het bloed onder de nagels vandaan
bloed, het - naar het hoofd jagen: het joeg hun het bloed naar het hoofd
boeien: de voorstelling boeide hen zeer
bol, over de - aaien: ze aaide hun over de bol
boren, door de neus -: het werd hun door de neus geboord
borst, tegen de - stuiten: dat stuitte hun tegen de borst
brengen, in herinnering -: ik bracht het hun in herinnering
brengen: ik bracht hun een bos bloemen
brengen: ik bracht hen naar het station

naar boven

C

cadeau doen: ik deed hun een servies cadeau
cadeau geven: ik gaf hun een servies cadeau
coachen: tot voor kort coachte ik hen
commanderen: ik commandeerde hun te luisteren
confronteren: ik confronteerde hen met de waarheid

naar boven

D

dak, op het dak schuiven: ik schoof hun het probleem op hun dak
dank, in - afnemen: dat werd hun niet in dank afgenomen
dankbaar zijn: ik ben hun dankbaar
danken: wij danken hen voor hun bijdrage
dankzeggen: ik zegde hun dank
das, de - omdoen: hun leugens deden hun de das om
deel, ten - vallen: veel geluk viel hun ten deel
deren: de kou deerde hen niet
deugd doen: de lof deed hun deugd
dienst, van - zijn: ik ben hun van dienst met mijn klopboor
dienste, ten - staan: mijn klopboor staat hun ten dienste
diets, iets - maken: hij maakte hun van alles diets
discrimineren: zij discrimineerden hen
doen (= 'aandoen'): onze Bello zal hun niets doen
doen (= 'een gevoel teweegbrengen'): klassieke muziek doet hun weinig
doen denken: Giethoorn deed hen aan Venetië denken
doen huiveren: de kou deed hen huiveren
doen toekomen: ik deed hun het bericht toekomen
doen, te - staan: ze weten wat hun te doen staat
dolk, een - in het hart boren: hij boorde hun een dolk in het hart
dreigen: een groot gevaar dreigde hen
drijven: ik heb geen idee wat hen drijft
droef te moede zijn: het was hun droef te moede
dunken: dat dunkt hun juist te zijn
duren: het heeft hun lang genoeg geduurd
duur te staan komen: dat kwam hun duur te staan
duwen, door de strot -: het werd hun door de strot geduwd
duwen: ik duwde hen naar de uitgang
dwarszitten: de muggen zaten hen/hun dwars (beide mogelijk)

naar boven

E

e-mailen: ik heb hun de stukken ge-e-maild
eigen zijn: die vrijgevigheid is hun eigen
ergeren: mijn taalgebruik ergerde hun
erkentelijk zijn: ik ben hun erkentelijk voor hun hulp
ernst zijn: het schijnt hun ernst te zijn
erom gaan: het gaat hun erom dat ze inspraak krijgen
erop wijzen: ik wees hun/hen erop dat ze te laat waren (beide mogelijk)
ervanlangs geven: ze gaven hun er ongenadig van langs
eten, te - geven: hij geeft hun te weinig te eten

naar boven

F

faxen: ik faxte hun het contract
feliciteren: ik feliciteerde hen met hun jubileum
flikken: hij flikte hun een kunstje
fluisteren, in het oor -: ik fluisterde hun iets in het oor

naar boven

G

gaan ... om: het gaat hun om het principe
gaan, goed -: het gaat hun goed
gaan, te (+ bijv. nw.): dat gaat hun te ver
gaan, uit de weg -: ik ga hun uit de weg
garanderen: ik garandeerde hun dat ik zou opletten
gebaren: hij gebaarde hun mee te gaan
gebeuren: het gebeurde hun telkens weer
gehoorzamen: ik gehoorzaam alleen hun
gelasten: de agent gelastte hun mee te komen
geld afpersen: de jongen perste hun geld af
gelegen, aan - zijn: er is hun veel aan gelegen deel te nemen
gelijk geven: ik geef hun (groot) gelijk
gelukken: het gelukte hun de race te volbrengen
genoegen doen: het deed hun genoegen te merken dat zij op kop lagen
gevangennemen: hij nam hen gevangen
geven: ik gaf hun het boek
geworden, doen -: ik deed hun een boek geworden
gezelschap houden: zij hield hen gezelschap
gezind zijn: het lot is hun goed gezind
gireren: ik gireer hun het hele bedrag
goed afgaan: het gaat hun goed af
goed gaan: het gaat hun goed in Australië
goeddoen: het warme bad deed hun goed
goeddunken: het docht hun goed te vluchten
goede, ten - komen: het komt hun ten goede
gortig: het werd hun te gortig
gras, het - voor de voeten wegmaaien: ik maaide hun het gras voor de voeten weg
groeien, boven het hoofd -: de zorgen groeiden hun boven het hoofd
gunnen: ik gun hun een mooie vakantie
gunst, om een - vragen: ik vroeg hun om een gunst

naar boven

H

hak, een - zetten: ik zette hun een hak
hals, om de - vallen: ik viel hun om de hals
hals, om de - vliegen: ik vloog hun om de hals
hals, op de - schuiven: ik schoof het hun op de hals
hand, aan de - doen: ik deed hun een idee aan de hand
hand, de - boven het hoofd houden: ik hield hun de hand boven het hoofd
hand, de - drukken: ik drukte hun de hand
hand, de - erop geven: ik gaf hun mijn hand erop
hand, de - reiken: ik reikte hun de hand
hand, de - schudden: zij schudde hun de hand
hand, ter - stellen: ik stelde hun een boor ter hand
handen, in - spelen: ik speelde het hun in handen
handen, uit - nemen: ik nam hun veel werk uit handen
hangen, aan de neus -: dat ga ik hun echt niet aan de neus hangen
hangen, de keel uit-: haar smoesjes hingen hun de keel uit
hart, (na) aan het - gaan: het gaat hun (na) aan het hart
hart, een - onder de riem steken: ze stak hun een hart onder de riem
hart, op het - trappen: hij trapte hun op het hart
helpen: ik heb hen graag geholpen; we helpen hen een baan te vinden
hemd, het - van het lijf vragen: ik vroeg hun het hemd van het lijf
herinneren: ik herinner hen aan de betalingstermijn
herinnering, in - brengen: ik bracht het hun in herinnering
heten, welkom -: ik heet hen van harte welkom
heugen: dat zou hun nog lang heugen
hielen, op de - zitten: ik zat hun op de hielen
hoede, onder de - nemen: ik nam hen onder mijn hoede
hof, het - maken: (vroeger hun, nu) de bezoekers maakten hen het hof
hoofd, het - op hol brengen: hij bracht hun het hoofd op hol
hoofd, naar het - slingeren: ik slingerde hun van alles naar het hoofd
hoogte, op de - brengen/stellen: we brachten/stelden hen ervan op de hoogte
huid, de - over de oren halen: ik haalde hun de huid over de oren
hulp, te - roepen: ik riep hen te hulp
hulp, te - schieten: de strandwacht schoot hen te hulp

naar boven

I

inblazen: hij blies hun boze plannen in
inboezemen: dat boezemde hun ontzag in
indruk geven: ze gaf hun een verkeerde indruk
influisteren: ik fluisterde het hun in
informeren: hij informeerde hen over de excursie
ingeven: hun hart gaf hun in wat ze moesten doen
inlichten: zij lichtte hen erover in
inpeperen: ik peperde het hun in
inprenten: ik prentte het hun in
inschenken: ik schonk hun een glas wijn in
inslaan: hij sloeg hun de hersens in
inspireren: Obama's toespraak inspireerde hen
inspreken: ik sprak hun moed in
instrueren: hij instrueerde hen over het zomerkamp
interesseren: het interesseerde hen niet
intrigeren: dat intrigeerde hen zeer
invallen: de oplossing viel hun te laat in
inwrijven: ik wreef het hun in
irriteren: dat irriteerde hen

naar boven

J

jagen: ik joeg hen mijn huis uit
jennen: zij jenden hen
jijen en jouen: zij jijden en jouden hen
jonassen: zij jonasten hen

naar boven

K

kaalknippen: zij knipte hen kaal
kaalscheren: zij schoor hen kaal
kaart, in de - spelen: dat voorval speelde hen/hun in de kaart
kapotmaken: zij maakten hen kapot
kastijden: de hagel kastijdde hen
keel afsnijden: hun werd de keel afgesneden
keel uithangen, de -: het hangt hun de keel uit
kenmerken: gastvrijheid kenmerkt hen
kennen: ik ken hen niet
kennismaken, laten -: ik liet hen kennismaken met de Thaise keuken
keuze, de - laten: ik liet hun de keuze
kidnappen: de rebellen kidnapten hen
kietelen: mama kietelde hen
klap: ze gaf hun een klap
kleineren: zij kleineerde hen
kleinkrijgen: hij probeerde hen klein te krijgen
klemzetten: ik zette hen klem door goede argumenten aan te voeren
klinken: dat klonk hun als muziek in de oren
knijpen: de nare oppas kneep hen
knollen voor citroenen verkopen: hij verkocht hun knollen voor citroenen
knuffelen: oma knuffelde hen
koeioneren: de baas koeioneerde hen
koesteren: hun ouders koesterden hen
koffie, op de - vragen: ik vroeg hen op de koffie
komen, ten goede -: dat komt hun ten goede
komen, van pas -: dat komt hun van pas
kool, een - stoven: hij stoofde hun een kool
kosten: het kost hun tien euro; het kostte hun geen enkele moeite; het kost hun heel wat tijd; dat kostte hun bijna het leven
kroon, naar de - steken: ik stak hun naar de kroon
kwaad, iemand een - hart toedragen: hij droeg hun een kwaad hart toe
kwalijk nemen, iemand iets -: ze namen het hun niet kwalijk
kwellen: hij kwelde hen jarenlang

naar boven

L

laan, de - uit sturen: ze stuurde hen de laan uit
last, tot - zijn: ik was hun alleen maar tot last
laste, ten - leggen: het OM legt hun doodslag ten laste
lastigvallen: de kinderen vielen hen lastig
laten horen: ik liet hun de cd horen
laten kennismaken: ik liet hen kennismaken met de Thaise keuken
laten lezen: ik liet hun de brief lezen (= de brief geven ter lezing); ik liet hen de brief lezen (= hen met rust laten terwijl ze lezen)
laten opdraaien: hij liet hen ervoor opdraaien
laten voelen: ik liet hen voelen dat ik de baas ben
laten weten: ik liet hun weten dat ik vertrok
laten zien: ik liet hun het hele huis zien
laten, de keuze -: ik liet hun de keuze
lekker zitten (niet -): dat zat hun niet lekker; die kleren zaten hun niet lekker
lelijk opbreken: hun ongetraindheid brak hun lelijk op
lenen: ik leende hun wat geld
leren: ik leerde hun de polka
leren fietsen: ik heb hun leren fietsen
leren kennen: ik heb hen nog maar net leren kennen
les lezen: ze las hun flink de les
lesje leren: hij heeft hun een lesje geleerd
leven, het - redden: die agente redde hun het leven
leven, het - zuur maken: hij maakte hun het leven zuur
leven, naar het - staan: hij stond hun naar het leven
leveren: ik lever hun de kopij
lief zijn: allen die hun lief zijn
liggen: zij negeerden mij, alleen omdat ik hun niet lag
lijf, tegen het - lopen: we liepen hun steeds tegen het lijf
lijken: emigreren leek hun niets; jullie lijken hen wel
loer, een - draaien: hij draaide hun een loer
lol, een - doen: ik deed hun een lol
lukken: dat lukte hun

naar boven

M

maag, iets in de - splitsen: ze hebben hun dat rotkarwei in de maag gesplitst
mailen: ik heb het hun gemaild
maken (gemakkelijk -, lastig -, makkelijk -, moeilijk -): je moet het hun niet te (ge)makkelijk maken; ze maken het hun wel lastig/moeilijk
mankeren: hun mankeert niets
mantel uitvegen: ze veegde hun de mantel uit
masseren: hij masseerde hen
meedelen: de receptionist deelt hun mee dat de zaal vol is
meegeven: ik gaf hun een lunchpakket mee
meevallen: het examen viel hun mee
melden: ik meldde hun hoeveel absenten er waren
mening, naar hun - vragen: ik vroeg hun naar hun mening
mening geven: ik gaf hun mijn mening
mes, het - op de keel zetten: ik zette hun het mes op de keel
mijden: ik mijd hen als de pest
misgunnen: hij misgunde hun hun succes
mislukken: hun mislukte wat Jan wel gelukt was
miszeggen: mijn kinderen zijn heel beleefd; ze hebben hun nooit iets miszegd
moede, te - zijn: het was hun droef te moede
moeilijk vallen: het viel hun moeilijk afscheid te moeten nemen
moeite kosten: het kostte hun geen enkele moeite
mond, de - snoeren: hij snoert hun de mond
mond, naar de - praten: je moet hun niet naar de mond praten

naar boven

N

naderen: wij naderen hen
nageven: ze hebben lef, dat moet ik hun nageven
nalaten: als ik doodga, laat ik hun alles na
naroepen: ik riep hun na dat ze lafaards waren
na staan: ik sta hun het dichtst na
nasturen: het programma werd hun nagestuurd
nazenden: het programma werd hun nagezonden
neuken: zij neukten hen
neus, aan de - hangen: dat ga ik hun echt niet aan de neus hangen
neus, bij de - nemen: ze nam hen bij de neus
neus, door de - boren: hij boorde hun een rustig weekend door de neus
neus, onder de - wrijven: ik wreef hun mijn kritiek onder de neus
nodig hebben: ik heb hen nodig
noodlottig worden: de zware regenval werd hun noodlottig

naar boven

O

offreren: ik offreerde hun een reëel bedrag
ogen, in de - kijken: ik keek hun diep in de ogen
ogen, onder - komen: hij kon hun niet meer onder ogen komen
ogen, voor - houden: ik hield hun een blinddoek voor ogen
ogen, voor - staan: er staat hun iets heel anders voor ogen
ogen, zwart voor de - worden: het werd hun zwart voor de ogen
omkopen: hij kocht hen om
onberoerd laten: dit alles liet hen niet onberoerd
ondersteunen: ik ondersteunde hen
onderwijzen: ik onderwees hun de vervoegingsregels
onrecht doen: hij deed hun onrecht met zijn vooroordelen
ontbreken: het ontbreekt hun aan niets
ontfutselen: ik ontfutselde hun het briefje
ontgaan: het ontging hun dat het regende
ontglippen: de dief ontglipte hun
ontgroeien: naarmate ik ouder werd, ontgroeide ik hun
ontkomen: ik ontkwam hun door hard te lopen
ontlopen: ik ontliep hun zo veel mogelijk
ontnemen: hij ontnam hun het zicht op het speelveld
ontraden: ik ontraadde het hun te emigreren
ontrukken: de dieven ontrukten hun de koffers
ontschieten: zijn naam ontschoot hun telkens
ontslaan: het bestuur ontslaat hen
ontslaan van de verplichting: dat ontslaat hen van de verplichting hun best te doen
ontsnappen: ik ontsnapte hun door hard te lopen
ontstijgen: zij ontsteeg haar milieu dankzij haar opleiding
ontvallen: hij ontviel hun in de oorlog
ontvallen: de moed ontviel hun
ontvangen: de premier ontving hen hartelijk
ontvluchten: ik ontvluchtte hun door een tunnel
ontwijken: ik ontweek hun zo veel mogelijk
ontzeggen: ik ontzeg hun de toegang
onwaardig: dat gedrag is hun onwaardig
onwelgevallig: de corrupte raadsleden verdonkeremaanden een hun onwelgevallig rapport
oor, een - aannaaien: ze naaide hun een oor aan
oor, in het - fluisteren: ik fluisterde hun iets in het oor
oor, ter ore komen: het kwam hun ter ore
oorlog, de - verklaren: ze verklaarden hun de oorlog
opbeuren: zijn bezoek beurde hen op
opbiechten: ik biechtte hun alles op
opdraaien, laten - voor: hij liet hen ervoor opdraaien
opdragen: ik droeg hun op alles op te ruimen
opgave, voor de - stellen: zij stelden hen voor een zware opgave
opgeven: ik gaf hun hun huiswerk op
ophitsen: ze hitste hen op
opjagen: ze jaagde hen op
opleggen: hij legde hun het zwijgen/een straf/de verplichting op
opleveren: het leverde hun niets op
opvallen: het viel hun op
opvoeden: ik voedde hen op
opvrolijken: dat vrolijkte hen op
opwachten: ik wachtte hen op
oren, om de - vliegen: de krachttermen vlogen hun om de oren
overhandigen: ik overhandigde hun het formulier
overkómen: hun overkwamen altijd de gekste dingen
óverleggen: ik heb hun de stukken óvergelegd
overmaken: ik heb hun het bedrag overgemaakt
overreden: ik overreedde hen te blijven

naar boven

P

parten spelen: hun verleden speelde hun parten
pas, de - afsnijden: ik sneed hun de pas af
pas, van - komen: de tropenhelm kwam hun goed van pas
passen: hun passen die jassen goed; dat past hun niet
pijn doen: dat deed hun pijn
poets bakken: ze bakte hun een poets
presenteren: ik presenteerde hun het plan
prijsgeven: ik gaf hun het geheim prijs
prikkelen: haar uitspraken prikkelden hen
proces, een - aandoen: ik deed hun een proces aan

naar boven

R

raad geven: ik gaf hun de goede raad om te vluchten
raad vragen: ik vroeg hun om raad
raadplegen: ik raadpleegde hen geregeld
raken: de tomaten raakten hen jammer genoeg niet; de roddels raakten hen niet
rapporteren: ik rapporteerde hun mijn bevindingen
recht doen: dat lofdicht deed hun recht
rede, in de - vallen: zij viel hen in de rede
redden: die agente redde hen
redden, het leven -: die agente redde hun het leven
reddende, de - hand toesteken: ik stak hun de reddende hand toe
reëngageren: ik reëngageerde hen
reiken, de hand -: ik reikte hun de hand
rekening, in - brengen: ik bracht hun kosten in rekening
resten: er restte hun niets dan maar weer terug te gaan
resteren: er resteerde hun nog maar drie vrije dagen
restitueren: het gehele bedrag werd hun gerestitueerd
retour zenden: ik zond hun het ondertekende contract retour
riem, een - onder het hart steken: ze stak hun een riem onder het hart
roepen: ik riep hen omdat we gingen eten
roepen, te hulp -: ik riep hen te hulp
rug, de - toekeren: ik keerde hun de rug toe
ruimte, de - geven: ik gaf hun de ruimte
rust, met - laten: ik liet hen met rust

naar boven

S

schaden: de gebeurtenissen schaadden hen
scheiden: de dood heeft hen gescheiden
schelen: het kon hun niet schelen dat iedereen keek
schellen, de - vallen van de ogen: eindelijk vielen hun de schellen van de ogen
schenken: dat schonk hun voldoening; ze schonk hun een vermogen
schieten, te hulp - : de strandwacht schoot hen te hulp
schijnen: dat schijnt hun genoeg te zijn
schijnen: het licht scheen hun in de ogen
schikken: woensdagochtend schikt hun
schoenen, in de - schuiven: dat schoof hij hun in de schoenen
schrijven: ik schreef hun vaak
schrik, de - op het lijf jagen: ik joeg hun de schrik op het lijf
schudden, de hand -: zij schudde hun de hand
schuldig zijn: ik ben hun 50 euro schuldig
serveren: ik serveer hun een kopje koffie
sieren: dat siert hen
slim, te - af zijn: ik was hun te slim af
slingeren, naar het hoofd -: ik slingerde het hun naar het hoofd
smarten: het smartte hun, maar ze moesten het doen
smeken: ik smeekte het hun
snel, te - af zijn: ik ben hun te snel af
snoeren, de mond -: hij snoert hun de mond
sommeren: zij sommeerden hen te vertrekken
spaak, een - in het wiel steken: ik stak hun een spaak in het wiel
spijten: het speet hun
sprookjes vertellen: ik vertelde hun geen sprookjes
staan: dat staat hun goed
staan, te - komen: dat komt hun duur te staan
staan, voor ogen -: de gevolgen staan hun helder voor ogen
staat, in - stellen: we hebben hen in staat gesteld te reageren
steun, tot - zijn: zij was hun tot steun in moeilijke tijden
steunen: zij steunden hen door dik en dun
strot, door de - duwen/douwen: het werd hun door de strot geduwd/gedouwd
stuipen, de - op het lijf jagen: ik joeg hun de stuipen op het lijf
sturen, op pad -: ik heb hen op pad gestuurd
sturen: ik heb hun het pakje gestuurd
succes wensen: hij wenste hun veel succes

naar boven

T

te (te lang, te ver e.d.): het duurt hun te lang; het ging hun te ver; het is hun te duur
tegemoet dansen: ik danste hun tegemoet
tegemoet lopen: ik liep hun tegemoet
tegemoet rijden: ik reed hun tegemoet
tegemoet snellen: ik snelde hun tegemoet
tegemoetkomen: ik kwam hun tegemoet
tegengeuren: de bloemen geurde hun tegen
tegenhouden: er is niets wat hen kan tegenhouden
tegenstaan: het hele idee stond hun tegen
tegenstreven: hij streefde hun tegen in hun beslissingen
tegenvallen: de reis viel hun tegen
tegenwerken: ik werk hen echt niet tegen
tegenwerpen: ik wierp hun tegen dat ik juist wel geluisterd had
tegenzitten: alles zat hun tegen
tekortdoen: hij deed hun tekort
teleurstellen: mijn weigering stelde hen teleur
ter wille zijn: ik was hun graag ter wille geweest
terugbetalen: ik betaalde het hun met rente terug; ik betaalde hun met gelijke munt terug
teruggeven: ik gaf hun hun eigendommen terug
terugsturen: ik stuurde hun de groeten terug
terugzenden: ik zond hun het ondertekende contract terug
toebedelen: hun was een zwaar lot toebedeeld
toebehoren: dat servies behoorde hun toe
toebrengen: de hele affaire bracht hun een diepe wond toe
toedelen: hij deelde hun de helft toe
toefluisteren: ik fluisterde hun mijn lof toe
toegenegen zijn: ik was hun altijd toegenegen
toegooien: ik gooide hun de bal toe
toejuichen: ik juichte hen toe
toekennen: ik kende hun de rol van ceremoniemeester toe
toeknikken: hij knikte hun vriendelijk toe
toekomen: die eer komt hun toe
toelachen: het geluk lachte hun toe (figuurlijk); de koningin lachte hen toe (letterlijk)
toeroepen: ik riep het hun toe
toeschijnen: het scheen hun toe dat ...
toeschrijven: die misdaad werd hun toegeschreven
toespreken: ik sprak hen toe
toestaan: ik stond hun drie wensen toe
toesteken: ik stak hun een zakcentje toe
toestoppen: ik stopte hun een zakcentje toe
toesturen: ik stuurde hun de formulieren toe
toevallen: de erfenis viel hun toe
toevertrouwen: ik vertrouwde hun toe dat ik ontslag zou nemen; ik vertrouwde het hun met een gerust hart toe
toewensen: ik wenste hun veel succes toe
toewerpen: ik wierp hun het touw toe
toewijden: ik ben hun zeer toegewijd
toewijzen: ik wees hun de tuinkamer toe
toezeggen: ik zegde hun toe dat ik mijn best zou doen
toezenden: ik zond hun de formulieren toe
tonen: ik toonde hun het hele huis
tong uitsnijden: hun werd de tong uitgesneden
treffen (blaam): hen treft geen blaam
treffen (gelijkenis): de gelijkenis trof hen
tutoyeren: we mochten hen tutoyeren
typeren: die gulheid typeert hen

naar boven

U

uitbetalen: ik betaalde hun in contanten uit
uitbrander geven: ze gaf hun een uitbrander
uitbreken: het angstzweet brak hun uit
uitdagen: zij willen een baan die hen uitdaagt
uitgeleide doen: de hele buurt deed hun uitgeleide
uitkomen: de bespreking komt hun nu goed uit
uitkopen: zij kocht hen uit
uitkotsen: de maatschappij kotste hen uit
uitleggen: ik legde hun uit waar het om ging
uitlenen: ik leende hun mijn fietstassen uit
uitmaken: het maakt hun niets uit
uitnodigen: ik nodigde hen uit
uitslaan: hij sloeg hun allebei een tand uit
uitsmijten: David heeft Goliat een oog uitgesmeten
uittrekken (iemand iets -): ik trok hun de jas uit
uitvegen, de mantel -: ze veegde hun de mantel uit

naar boven

V

vaarwater, in het - zitten: ik zat hun in het vaarwater
vel, het - over de oren halen/trekken: hij haalde hun het vel over de oren
verachten: zij verachtte hen
verbazen: het verbaast hun/hen (beide mogelijk)
verbieden: ik verbood hun naar de stad te gaan
verdeeld houden: wat is het dat hen verdeeld houdt?
verdriet doen: het doet hun veel verdriet
verenen: liefde vereende hen
vergaan: de lust vergaat hun; horen en zien verging hun; hoe vergaat het hun in Australië?
vergeven (= 'kwijtschelden'): ik heb hun die fout vergeven
vergeven (= 'pardonneren, excuseren'): ik heb hen vergeven; hen vergeef ik nooit
vergeven (= 'vergiftigen'): hij heeft hen vergeven met cyaankali
vergoeden: ik vergoed hun alle schade
verheugen: het verheugt hen weer terug te zijn
verklappen: ik verklapte hun het geheim
verklaren (de oorlog -): ze verklaarden hun de oorlog
verkondigen: ik verkondigde hun de blijde boodschap
verkopen: ik verkocht hun de hele collectie
verlaten: zijn vrouw had hen verlaten
verlenen: ik verleende hun voorrang, maar toch toeterden ze boos
vermaken: ik vermaakte hen met mijn grappen
verplichten: de leraar verplicht hun te komen
verplichting, een - opleggen: ik legde hun een verplichting op
verrassen: we hebben hen verrast
verschaffen: ik verschafte hun het benodigde materiaal
verschijnen: in die grot zou Maria hun verschenen zijn
verschuldigd zijn: ik ben hun veel dank verschuldigd
verslag doen: zij deed hun verslag van de expeditie
verstrekken: ik verstrekte hun het materiaal
vertellen: ik vertelde hun waar het om ging
vertonen: ik vertoonde hun mijn kunsten
vertrouwen: ik vertrouwde hen
verwaardigen: het verwaardigde hun niet te antwoorden
verwijderen: de politie verwijderde hen
verwijten: de nabestaanden verwijten hun nalatigheid
verwijten maken: ze begonnen hun meteen verwijten te maken
verwonderen: de gang van zaken verwonderde hen
verzekeren: ik verzekerde hun mijn best te zullen doen
verzoeken: ik verzocht hun te vertrekken/ik verzocht hen te vertrekken (allebei mogelijk)
vliegen afvangen: hij ving hun vliegen af
vlug, te - af zijn: ik was hun te vlug af
voegen: die toon voegde hun niet
voet, de - dwars zetten: ik zette hun de voet dwars
voeten, voor de - lopen: hij liep hun de voor de voeten
voeten, voor de - werpen: ik wierp hun de waarheid voor de voeten
volgen: ik kan hen niet volgen
voorbijgaan: ik ging hun voorbij, en dat konden ze niet verkroppen
voorbijlopen: ik liep hun voorbij met mijn neus in de wind
voorbijsnellen: ik snelde hun voorbij zodat ik geen praatje hoefde te maken
voorbijstreven: na enkele maanden streefde ik hun voorbij
voorbijvliegen: ik vloog hun voorbij op mijn scooter
voor blijven: we moeten hun voor blijven
voorgaan: pastor Jansen gaat hun voor in de mis
voorgaan: zij durfden pas naar binnen nadat Mary hun was voorgegaan
voorhouden: ik hield hun voor dat ze nog een kans hadden
vóórkomen: het komt hun raar voor dat we twee afwasmachines hebben
voorleggen: ik legde hun mijn dilemma voor
voorleven: hij leefde hun een ideaal voor
voorlezen: ik las hun voor uit Pluk van de Petteflet
voorschotelen: hij schotelde hun een verkeerd beeld voor
voorschrijven: de dokter schreef hun kalmeringstabletten voor
voorspellen: ik voorspelde hun dat hun dochter het ver zou brengen
voorspiegelen: hij spiegelde hun grote winsten voor
voorstellen aan: ik wilde hen voorstellen aan de freule
voorstellen: ik wilde hun net voorstellen aan tafel te gaan
vooruitgaan: hij ging hun vooruit om het nieuws te vertellen
voorzeggen: het antwoord werd hun voorgezegd
voorzetten: ik zette hun soep voor
voorzien van: ik voorzag hen van soep
vóór zijn: zij wilden de laatste pakken, maar ik was hun voor
vousvoyeren: wij vousvoyeerden hen
vragen (= 'een vraag stellen (aan)'): ik vroeg hun drie dingen
vragen (= 'aansporen'): ik vraag hen/hun om deuren en ramen te sluiten (beide mogelijk)
vragen (= 'uitnodigen'): ik vraag hen op de thee
vragen naar (= 'uithoren over'): ik vroeg hen/hun naar de gezondheid van oma (beide mogelijk)
vragen voor ( = 'informeren bij iemand naar beschikbaarheid voor'): de voorzitter vroeg hen voor die functie
vrij staan: het staat hun vrij dat te doen

naar boven

W

waard zijn: hun gezondheid was hun heel wat waard
wacht aanzeggen: de directie zegt hun zomaar de wacht aan
wachten, te - staan: wat staat hun nog te wachten?
wachten: hun wachtte een groot avontuur
weerstaan: ik weet zeker dat ik hun weersta
weg, de - wijzen: zij wees hun geduldig de weg
weg, in de - leggen: ik legde hun geen strobreed in de weg
weg, in de - lopen: ik liep hun alleen maar in de weg
weg, in de - staan: er stond hun niets in de weg
weg, in de - zitten: ik zat hun in de weg
weg, uit de - gaan: ik ga hun het liefst uit de weg
wegduwen: ik duw hen weg
wegsturen: ik stuur hen weg
weigeren: ik weiger hun mijn diensten
welgevallig: die oplossing was hun gelukkig welgevallig
welkom heten: ik heette hen van harte welkom
wensen: ik wens hun alle goeds; ik wenste hun gelukkig nieuwjaar
wielen, in de - rijden: ik reed hun in de wielen
wijsmaken: ik maakte het hun wijs
wijzen op: ik wees hun/hen erop dat ze te laat waren (beide mogelijk)
wille, ter - zijn: ik was hun ter wille
wind, voor de - gaan: het gaat hun voor de wind
wind, de - uit de zeilen nemen: zijn charme nam hun de wind uit de zeilen
windeieren leggen: dat legt hun geen windeieren
woord, te - staan: de minister stond hen te woord
woorden, de - uit de mond halen: ze zeiden dat ik hun de woorden uit de mond haalde

naar boven

Z

zand in de ogen strooien: zijn eerlijke voorkomen strooide hun zand in de ogen
zeggen: ik zei hun even te wachten met eten; hij kwam langs om hun te zeggen wat er moest gebeuren
zenden: ik zond hun een fax
zien: wij zagen hen gisteren nog
zijde, ter - staan: ik stond hun ter zijde
zijn: als ik hen zou zijn, als ik hen was
zijn: het is hun te duur
zin, naar de - maken: ik maakte het hun zo veel mogelijk naar de zin
zinken: de moed zinkt hun in de schoenen
zitten ('een gevoel teweegbrengen'): dat zat hun niet lekker; dit zit hun nogal hoog; het zit hun tot hier
zitten ('passen'): die kleren zaten hun niet lekker, zaten hun te ruim
(een) zorg zijn: het zal hun een zorg zijn
zuur opbreken: hun ongetraindheid brak hun zuur op
zwaar vallen: het vertrek viel hun zwaar
zwart voor de ogen worden: het werd hun zwart voor de ogen
zweren: ik zwoer hun dat ik de waarheid sprak

naar boven

Dit onderwerp wordt ook behandeld in de Taal-top-100.


Word nu lid van Onze Taal! Tien prachtige taaltijdschriften per jaar, gratis antwoord op uw taalvragen en vele euro's korting op taalboeken en -cursussen.