Wanneer een komma?


[?] Wanneer moet je een komma gebruiken?


[!] De komma is een van de moeilijkste leestekens in het Nederlands. Lastig is dat er geen regels zijn aan de hand waarvan je kunt bepalen wanneer op welke plaats komma's gebruikt moeten worden. Het belangrijkste uitgangspunt is dat een komma geplaatst wordt als er bij het voorlezen een duidelijke pauze hoorbaar is. Hoe langer de zin is, hoe meer behoefte er bestaat aan een rustpunt in de zin, en dus aan een komma.

In de volgende gevallen is een komma altijd op z'n plaats:

Het is ook gebruikelijk om tussen twee naast elkaar staande persoonsvormen een komma te zetten: 'Wat zij gezegd heeft, is heel opmerkelijk', 'Nu ik er langer over nadenk, vind ik het geen gek idee', 'Wat zij bereikt heeft, is vooral te danken aan haar doorzettingsvermogen.' Alleen in korte zinnen kan de komma tussen persoonsvormen soms achterwege blijven: 'Wat je zegt ben je zelf', 'Wie dit leest is gek', 'Voor je het weet is het zover.' In deze zinnen is ook geen duidelijke pauze hoorbaar.

Vóór voegwoorden als hoewel, omdat, zodat, opdat, indien, maar, aangezien en terwijl kan meestal het best een komma worden geplaatst: 'Zij vertelde het aan iedereen, hoewel de informatie vertrouwelijk was', 'Hij dacht er lang over na, aangezien hij veel tijd had.'

Verwante kwesties:

  • komma's tussen bijvoeglijke naamwoorden
  • komma voor dat (voegwoord)
  • komma voor die/dat (betrekkelijk voornaamwoord)
  • komma voor en