Persoonsvorm
Wat is de persoonsvorm in een zin?
De persoonsvorm is een werkwoordsvorm. Meestal is de persoonsvorm het eerste werkwoord in een zin. De persoonsvorm geeft ons veel grammaticale informatie over de zin: hij geeft aan of de zin in het enkelvoud of meervoud staat, of de zin in de eerste, tweede of derde persoon staat, en in welke tijd de zin staat. Hieronder worden eerst deze drie aspecten toegelicht, daaronder volgen wat 'trucjes' om vast te stellen welk woord in een zin de persoonsvorm is.
Enkelvoud of meervoud
De persoonsvorm is nauw verbonden aan het onderwerp van de zin; als het onderwerp een enkelvoud is, moet de persoonsvorm dat ook zijn; is het onderwerp een meervoud dan is de pv dat ook:
- De jongen fietst naar school. (onderwerp (de jongen) en persoonsvorm (fietst) zijn beide enkelvoud)
- De jongens fietsen naar school. (onderwerp (de jongens) en persoonsvorm (fietsen) zijn beide meervoud)
Het onderwerp en de persoonsvorm moeten ook in hetzelfde getal staan; dat wil zeggen dat ze beide eerste, tweede of derde persoon moeten zijn:
- Ik ben in de zomer jarig. (onderwerp (ik) en persoonsvorm (ben) zijn beide eerste persoon enkelvoud)
- Jij bent in de zomer jarig. (tweede persoon enkelvoud)
- Hij is in de zomer jarig. (derde persoon enkelvoud)
- Wij zijn in de zomer jarig. (eerste persoon meervoud)
Tegenwoordige, toekomende of verleden tijd
Aan de persoonvorm is ook te zien in welke tijd de zin staat: tegenwoordige, toekomende of verleden tijd.
- Hij gaat elke dag met de trein naar zijn werk. (tegenwoordige tijd)
- Mijn oma hield erg van bietjes. (verleden tijd)
- De Olympische Spelen van 2008 zullen in Peking worden gehouden. (toekomende tijd)
- De SP heeft de verkiezingen gewonnen. (voltooid tegenwoordige tijd)
- Hij had dat drie weken geleden al gezegd. (voltooid verleden tijd)
- We zullen volgend jaar naar Frankrijk gaan. (onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd)
De persoonsvorm vinden
Vaststellen wat de persoonsvorm van een zin is, is meestal vrij eenvoudig. Een enkelvoudige zin kan bijvoorbeeld meervoudig gemaakt worden. Het werkwoord dat dan verandert, is de persoonsvorm:
- De SP heeft de verkiezingen gewonnen.
- De SP en de PvdV hebben de verkiezingen gewonnen. (Het onderwerp is nu meervoud: heeft is meeveranderd in hebben, dus dat is de persoonsvorm van zin 9.)
- De SP had de verkiezingen gewonnen. (Van de voltooid tegenwoordige tijd is een voltooid verleden tijd gemaakt: heeft is veranderd in had en is dus de persoonsvorm van zin 9.)
Een ander trucje om de persoonsvorm te vinden, is de zin vragend te maken; de persoonsvorm komt dan vooraan in de zin:
10c. Heeft de SP de verkiezingen gewonnen?
11c. Had hij dat drie weken geleden al gezegd?
12c. Zullen wij volgend jaar naar Frankrijk gaan?
Samengestelde werkwoorden
Samengestelde werkwoorden zijn in hun geheel de persoonsvorm, ook als ze gescheiden in de zin staan:
- De jongen leidde het meisje de hele tijd af. (Het hele werkwoord is afleiden)
- Hoe laat kom je thuis? (Het hele werkwoord is thuiskomen)
- Zij maakt veel gebruik van het internet. (Het hele werkwoord is gebruikmaken)
Over het 'wezen' van de persoonsvorm heeft de Taalprof een interessant stuk geschreven.
Verwante kwesties:







