Te(n) alle(n) tijde(n)?


[?] Wat is juist: ten alle tijden of te allen tijde?


[?] Te allen tijde is juist. In deze zogenoemde staande uitdrukking zijn enkele oude naamvalsvormen behouden gebleven. Er zijn veel staande uitdrukkingen waarin nog oude naamvallen voorkomen: te allen tijde, uit hoofde van, met dien verstande. Er zijn vrijwel geen regels te geven om te bepalen welke vorm de juiste is, maar enkele vuistregels zijn er wel:

  1. Ter hoort bij vrouwelijke woorden, ten bij mannelijke. Bij sommige woorden komt echter variatie voor; het woord tijd kon vroeger ook vrouwelijk zijn, tegenwoordig is het uitsluitend mannelijk. Daardoor bestaan naast elkaar ten tijde van en in de loop der tijd.
  2. Ten/ter is een samentrekking van het voorzetsel te of tot en het verbogen lidwoord den/der. Ter of ten is alleen juist als het vervangen kan worden door de of het: ter waarde van (omdat de waarde van ook kan), maar te uwen kantore (want het uwen kantore/kantoor kan niet).
Hieronder staat een lijst met veelvoorkomende staande uitdrukkingen. Enkele tips bij deze lijst:

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

A

aanhalen: ter aangehaalder plaatse (GB: ook ter aangehaalde plaatse)
aanhoren: ten aanhoren van
aanschijn: in het zweet des/mijns/haars/zijns/uws/onzes/huns aanschijns
aanschouwen: ten aanschouwen van
aanstoot: steen des aanstoots
aanzien: te dien/mijnen/haren/zijnen/uwen/hunnen aanzien
aanzien: ten aanzien van
aard: uit de aard der zaak, uit den aard der zaak
aard: van dien aard
aarde: ter aarde (bestellen, werpen, storten, etc.)
algemeen: ten algemenen nutte
alle: in allen gevalle (= 'wat er ook gebeurt')
alle: in allerijl
alle: te allen tijde
alle: u/ons aller aanwezigheid/belang/naam/vriend
ander: ten anderen male
ander: ter andere zijde (VD: ook ten andere zijde)
ander: uit anderen hoofde
anker: ten anker liggen
antwoord: ten antwoord
ar: in arren moede
attentie: ter attentie van

naar boven

B

baat: te baat (nemen, komen)
baat: te eigen bate, ten eigen bate (GB: alleen te eigen bate)
baat: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen bate
baat: ten bate van
beantwoording: ter beantwoording
bedrag: ten bedrage van
been: ter been
begin: in den beginne
begin: van den beginne af
behoeve: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen behoeve
behoeve: ten behoeve van
bekostiging: ter bekostiging
bekwaam: te bekwamer tijd
belang: in (u/ons) beider/aller belang
beloop: ten belope van (= 'ten bedrage van')
berde: te berde brengen
berg: te berge rijzen
beschikking: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner beschikking
beschikking: ter beschikking (stellen)
besluit: ten besluite
best: ten beste
bestemd: te bestemder plaatse, ter bestemder plaatse (GB: alleen te bestemder plaatse)
bestemd: te bestemder tijd, ter bestemder tijd (GB: alleen te bestemder tijd)
beurs: ter beurze
beurt: te beurt vallen
beweging: eigener beweging
bewijs: ten bewijze (van)
bezichtigen: ter bezichtiging
blijk: ten blijke
blind: in den blinde
bloed: in koelen bloede
bloed: tot bloedens toe
bloed: van koninklijken bloede
boek: te boek (staan)
boos: uit den boze
boven: te boven
breed: in den brede
breed: ter breedte van
brood: om den brode
buiten: te buiten
bureel: ten (mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen) burele

naar boven

C

controle: ter controle

naar boven

D

dag: aan de dag leggen, aan den dag leggen
dag: dag des Heren
dag: dezer dagen
dag: heden ten dage
dag: ten dage van
dag: ten eeuwigen dage
dag: voor de dag komen, voor den dag komen
dans: ten dans
deel: ten deel vallen
deel: ten dele
derde: ten derde
derde: ten derden male
deze: bij/in/na/namens/te/voor dezen
deze: te dezer plaatse
deze: te dezer/dier zake
die: in dier/dezer voege
die: met dien verstande
die: te dien aanzien/einde/opzichte
die: uit dien hoofde
die: van dien
die: van dien aard
dienst: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen dienste
dienst: ten dienste van, (iemand) ten dienste staan
doel: ten doel (stellen)
doen: in goeden doen
dom: zich van de domme houden, van den domme houden
dood: ten dode (opgeschreven)
dood: ter dood veroordelen, brengen
dood: uit den dode opstaan
doop: ten doop houden
duivel: des duivels
duur: op de lange duur
duur: op den duur, op de duur

naar boven

E

eed: onder ede
een: ter ener zijde, ter eenre zijde (GB: alleen ter eenre zijde)
eer: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner ere
eer: ter ere van
eer: ter meerdere eer en glorie
eerste: ten eerste
eeuwig: in der eeuwigheid
eeuwig: ten eeuwigen dage
eigen: ten eigen bate, te eigen bate (GB: alleen te eigen bate)
eind: te dien einde
eind: ten einde brengen
eind: ten einde raad
einde: ten einde toe
elf: te elfder ure, ter elfder ure (GB: alleen te elfder ure)
enenmale: ten enenmale
enig: te eniger tijd

naar boven

F

faam: te goeder naam en faam
faveur: ten faveure van
fine: ter fine, ten fine (van) (GB: alleen ter fine)
Frage: in Frage

naar boven

G

gans: van ganser harte
gast: te gast
gebrek: in gebreke (stellen, blijven)
gedachtenis: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner gedachtenis
geen: in genen dele
gehoor: ten gehore brengen
gek: van de gekke
geld: te gelde maken
gelegen: te gelegener tijd/plaats
gelegenheid: te dezer gelegenheid
gelegenheid: ter gelegenheid van
geleide: ten geleide
genoeg: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen genoegen
genoeg: ten genoegen van
gerief: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen gerieve
gerief: ten gerieve van
gerucht: bij geruchte (vernemen)
geschenk: ten geschenke (geven, krijgen)
geschrift: in geschrifte
getal: in groten getale
getal: ten getale van
geval: in allen gevalle (= 'wat er ook gebeurt')
gevolg: ten gevolge van
glorie: ter meerdere eer en glorie
goed: in goeden doen
goed: te goeder naam en faam
goed: te goeder trouw
goed: ten goede (komen)
goed: van goeden huize, wille
goedkeuring: ter goedkeuring
graf: ten grave (dragen)
grond: te gronde (gaan, richten)
grond: ten gronde (= juridische term, 'op de hoofdzaak')
grondslag: ten grondslag
grootte: ter grootte van
gunst: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen gunste
gunst: ten gunste van

naar boven

H

haar: haars inziens
haar: haars weegs
haar: te haren aanzien/bate/behoeve/dienste/genoegen/gerieve/gunste/huize/kantore/
laste/nadele/voordele

haar: te harent, ten harent (GB: alleen te harent)
haar: te harer beschikking, ere, informatie, kennis, oriëntering, verontschuldiging
half: ten halve
hand: ter hand stellen
hart: ter harte
hart: van (ganser) harte
heden: heden ten dage
heel: ten hele
Heer: dag des Heren
heinde: van heinde en ver(re)
hel: ter helle (gaan, nederdalen, varen)
helft: bij helfte (verdelen)
herdenking: ter herdenking van
herinnering: ter herinnering aan
hier: hier te lande
hier: hier ter stede
hof: ten hove
hoofd: uit anderen/dien hoofde
hoofd: uit hoofde van
hoog: in den hoge
hoog: in hoge mate
hoog: ten hoogste
huis: dochter/heer/vrouw/zoon des huizes
huis: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen huize
huis: ten huize van
huis: van goeden huize
hulp: te hulp (komen, schieten)
hun: huns inziens
hun: huns weegs
hun: te hunnen aanzien/bate/behoeve/dienste/genoegen/gerieve/gunste/huize/kantore/
laste/nadele/voordele

hun: te hunnent, ten hunnent (GB: alleen te hunnent)
hun: te hunner beschikking, ere, informatie, kennis, oriëntering, verontschuldiging
huwelijk: ten huwelijk vragen

naar boven

I

informatie: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner informatie
inzien: mijns/uws/haars/zijns/onzes/huns inziens

naar boven

J

juist: te juister tijd
juist: ter juister plaatse

naar boven

K

kantoor: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen kantore
kantoor: ten kantore van
katholiek: van katholieken huize
kennis: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner kennis
kennis: ter kennis
kerk: ter kerke
keuze: ter keuze
klok: klokke twaalf
koel: in koelen bloede
koning: in naam des konings
koningin: in naam der koningin
koninklijk: van koninklijken bloede
kost: ten koste van
kust: te kust en te keur
kwaad: te kwader trouw
kwaad: ten kwade

naar boven

L

land: (hier) te lande
land: in den lande
last: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen laste
last: ten laste leggen
last: ten laste van
lest: ten langen leste
lijf: aan den lijve
lijf: in levenden lijve
linkerzijde: ter linkerzijde
loop: in de loop der tijd, minder gewoon: in de loop des tijds
luid: met luider stem(me)

naar boven

M

maal: ten anderen/tweeden/derden male
maal: ten enenmale
macht: bij machte
mens: des mensen
midden: te midden van
mijn: mijns inziens
mijn: te mijnen aanzien/bate/ behoeve/dienste/genoegen/gerieve/gunste/huize/kantore/
laste/voordele/nadele

mijn: te mijnent, ten mijnent (GB: alleen te mijnent)
mijn: te mijner beschikking, ere, informatie, kennis, oriëntering, verontschuldiging
min: in der minne schikken
moed: te moede
moede: in arren moede
mond: bij monde van

naar boven

N

naam: (u/ons) aller/beider naam
naam: in naam der koningin
naam: in naam der wet
naam: in naam des konings
naam: met name
naam: te goeder naam en faam
naam: ten name van
naast: ten naaste bij
nadeel: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen nadele
nadeel: ten nadele van
nagedachtenis: ter nagedachtenis van
natuur: van nature
nauw: ten nauwste
nood: van node
noorden: ten noorden van
nul: van nul en generlei waarde
nut: ten algemenen nutte
nut: ten nutte van

naar boven

O

offer: ten offer (brengen, vallen)
onder: onder ede
onder: ten onder gaan
onheil: plek/plaats des onheils
onpas: te pas en te onpas
onrecht: ten onrechte
ons: ons aller/beider aanwezigheid/belang/naam/vriend
ons: onzes inziens
ons: te onzen aanzien/bate/behoeve/dienste/genoegen/gerieve/gunste/huize/kantore/
laste/nadele/voordele

ons: te onzer beschikking/ere/informatie/kennis/oriëntering/verontschuldiging
ons: ten onzent, te onzent (GB: alleen te onzent)
onverricht: onverrichter zake
oor: ter ore (komen)
oosten: ten oosten van
opzicht: ten opzichte van
oriëntering: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner oriëntering
overstaan: ten overstaan van
overvloed: ten overvloede
overweging: ter overweging

naar boven

P

paleis: ten paleize
pas: te pas en te onpas
pers: ter perse
plaats: de plaats des onheils
plaats: te bestemder plaatse, ter bestemder plaatse (GB: alleen te bestemder plaatse)
plaats: te gelegener plaats
plaats: ter plaatse
plek: plek des onheils
plek: ter plekke
prooi: ten prooi (aan)

naar boven

R

raad: met voorbedachten rade
raad: te rade gaan
raad: ten einde raad
recht: in/buiten rechte
recht: ten rechte
rechter: te rechter tijd
rechterzijde: ter rechterzijde
rust: te ruste, ter ruste (leggen)

naar boven

S

schande: te schande
schrijver: schrijver dezes
spijt: ten spijt (van)
spoedig: ten spoedigste
sprake: ter sprake
staand: op staande voet
stad: te stade (komen) (GB: ook te sta)
stede: hier ter stede
stede: in stede van
steen: steen des aanstoots
stellig: ten stelligste
stem: stem des volks
streng: ten strengste
strijd: ten strijde (trekken)

naar boven

T

tafel: ter tafel (brengen)
teken: ten teken
tenlastelegging: tenlastelegging, te lastlegging
terzelfdertijd: terzelfdertijd, tezelfdertijd (GB: terzelfder tijd, tezelfdertijd)
tijd: bij tijd en wijle
tijd: de tand des tijds
tijd: in de loop der tijd, minder gewoon: in de loop des tijds
tijd: te allen tijde
tijd: te bekwamer/eniger/juister/gelegener/rechter/zijner tijd
tijd: te bestemder tijd, ter bestemder tijd (GB: alleen te bestemder tijd)
tijd: ten tijde van
tijd: toentertijd
toneel: ten tonele
trouw: te goeder/kwader trouw
twee: ten tweede
twee: ten tweeden male (GB: ten tweede male)

naar boven

U

u: u aller/beider aanwezigheid/belang/naam/vriend
uit: uit anderen hoofde
uit: uit den boze
uit: uit hoofde van
uitvoer: ten uitvoer
uur: te elfder ure, ter elfder ure (GB: alleen te elfder ure)
uw: te uwen aanzien/bate/behoeve/dienste/genoegen/gunste/huize/kantore/
laste/nadele/voordele

uw: te uwent/ten uwent (GB: alleen te uwent)
uw: te uwer beschikking/ere/informatie/kennis/oriëntering/verontschuldiging
uw: uws inziens

naar boven

V

vader: vader des vaderlands
val: ten val brengen
veel: op veler verzoek
veld: te velde
verdediging: ter verdediging
verdeling: ter verdeling van
vergadering: ter vergadering
verkoop: ten verkoop
verontschuldiging: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner verontschuldiging
verontschuldiging: ter verontschuldiging
verscherping: ter verscherping
verstand: met dien verstande
vervelen: tot vervelens toe
vervoer: ten vervoer
vervolg: in den vervolge
vervolg: ten vervolge (op)
voege: in dier/dezer voege
voet: ten voeten uit
vol: ten volle
voldoening: ter voldoening van
voorbedacht: met voorbedachten rade
voorbeeld: ten voorbeeld
voordeel: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen voordele
voordeel: ten voordele van
voorkoming: ter voorkoming van
vreemd: in den vreemde
vrees: met grote vreze
vriend: (u/ons) beider/aller vriend

naar boven

W

waarborg: ten waarborg stellen waarde: ter waarde van
waarde: van nul en generlei waarde
wereld: 's werelds
wereld: ter wereld
westen: ten westen van
wet: in naam der wet
wijl: bij tijd en wijle
wil: ter wille van
wil: van goeden wille
wil: willens en wetens

naar boven

Z

zaak: onverrichter zake
zaak: ter zake (van)
zeer: ten zeerste
zelfde: ter zelfder plaatse
ziel: ter ziele
zijde: ter andere zijde
zijde: ter ener zijde, ter eenre zijde (GB: alleen ter eenre zijde)
zijn: te zijnen aanzien/bate/behoeve/dienste/genoegen/gerieve/gunste/huize/kantore/
laste/nadele/voordele

zijn: te zijnent, ten zijnent (GB: alleen te zijnent)
zijn: te zijner beschikking/ere/informatie/kennis/oriëntering/verontschuldiging
zijn: te zijner tijd
zijn: zijns inziens
zijn: zijns weegs
zin: van zins
zitting: ter zitting
zoenoffer: ten zoenoffer brengen
zot: van de zotte
zuiden: ten zuiden van
zweet: in het zweet des/uws/zijns aanschijns

naar boven


Word nu lid van Onze Taal! Tien prachtige taaltijdschriften per jaar, gratis antwoord op uw taalvragen en vele euro's korting op taalboeken en -cursussen.