Het Bureau in een Coca-Colafabriek
Een nieuwe directeur voor het Meertens Instituut
Marc van Oostendorp
Jarenlang was het P.J. Meertens-Instituut gevestigd in een statig pand aan de Keizersgracht in Amsterdam. Geleerden beluisterden er banden waarop bejaarde ongeschoolde zangers liedjes uit hun jeugd vertolkten, en dialectologen vermeiden zich er in de studie van klinkerverkorting in Brabantse dialecten. De volkskundige J.J. Voskuil werkte er jarenlang en verwerkte zijn ervaringen in de zevendelige romancyclus Het Bureau waarin hij zijn werk beschreef als volkomen nutteloos en alleen op zichzelf betrokken.
Er is ondertussen wel wat veranderd. Het Meertens Instituut is de initialen P.J. kwijtgeraakt en is bovendien verhuisd van het grachtenpand naar een voormalige fabriek van Coca Cola. Met ingang van 1 september heeft het ook een nieuwe directeur, de taalwetenschapper Hans Bennis. Hij zou graag zien dat de verhuizing symbolisch wordt voor de nieuwe koers van het instituut. ``Als het aan mij ligt, gaat Coca Cola het instituut zo snel mogelijk sponsoren,'' zegt hij.
HOUSEPARTY'S
Volgens Bennis moet het instituut af van zijn huidige imago: ``We zijn niet alleen genteresseerd in de taalvariteit van ouwe opa's in de Achterhoek,'' zegt hij. ``Maar ook in de taal van de jeugd -- in de taal van de houseparty's.'' Bennis wil in zijn werk de nadruk leggen op de rijkdom aan variteiten die de Nederlandse taal en cultuur kenmerken. ``Een taal kan niet leven zonder diversiteit. Je kunt de situatie vergelijken met de aardappelteelt. Als er maar één soort aardappel gekweekt wordt, sterft de populatie snel uit door allerlei ziektes. Er zijn veel verschillende soorten nodig om tot een gezond bintje te komen.'
De aandacht voor de rijkdom van de volkstaal en de volkscultuur is volgens Bennis in ons land onder de maat. ``Nederlanders hebben het idee dat er van een taal maar één variant mag bestaan -- en dat is dan zogenaamd de goede. Je ziet het aan de recente veranderingen in het Groene Boekje. Tot een aantal jaar geleden had je voor veel woorden twee soorten spelling: een toegelaten spelling en een voorkeursspelling. Prachtig, zou ik zeggen, hoe meer spellingen er toegelaten zijn, hoe beter. Alleen jammer dat een van die spellingen tot voorkeursspelling werd uitverkoren. Maar wat gebeurt er? Tegenwoordig is er voor alle woorden nog maar één officiële spelling.''
DIALECT HERLEEFT
Veroorzaakt dat streven naar eenvormigheid ook dat dialecten verdwijnen? ``Ik geloof er niets van. Je ziet eerder het omgekeerde, want met de Europese eenwording grijpen mensen terug op hun identiteit. Ze zijn natuurlijk vaak wel tweetalig -- ze spreken hun streektaal én standaard-Nederlands. In sommige delen van het openbare leven zie je het dialect zelfs herleven. Onlangs zag ik nog een toneelstuk van de Trust, een van de beste en bekendste Nederlandse gezelschappen. Maar de hoofdrolspeelster sprak vol overtuiging plat Drents.'' Toch is het dialect volgens Bennis nog niet in alle geledingen van de maatschappij voldoende geaccepteerd. ''Als een Texaan zich in Amerika kandidaat stelt voor het presidentschap, blijft hij gewoon met een Texaanse tongval spreken. Maar als een Drent minister-president van Nederland wil worden, moet hij zich eerst het dialect van Wassenaar eigen maken.''
Hans Bennis is als taalkundige zelf altijd vooral genteresseerd geweest in kleine woordjes. Zijn proefschrift behandelde de woorden er en het, en in meer recent werk onderzocht hij het gebruik van dubbele voegwoorden in zinnen zoals 'Maarten wil weten of dat we nog komen' en 'Ik ben benieuwd wie of er nog in kabouters geloven.' ``Juist in de omgang met die kleine woordjes zijn er grote verschillen tussen de variëteiten van het Nederlands'', zegt hij. ``Een paar jaar geleden heeft men op het instituut bijvoorbeeld een symposium georganiseerd over vervoegde voegwoorden -- voegwoorden die zich aanpassen aan hun omgeving. In sommige dialecten zeg je bijvoorbeeld 'datte we toffe jongens zijn' in het meervoud, maar 'dat ik een toffe jongen ben' in het enkelvoud. Dat verschijnsel zie je in veel Nederlandse dialecten; het standaard-Nederlands is zo ongeveer de enige uitzondering. Ik zie het als mijn taak om wetenschappers te stimuleren onderzoek te doen naar dat soort verschijnselen.''
NEONLETTERS
Bennis vindt ook dat het Meertens Instituut zich open moet stellen: ``Journalisten die iets willen weten over dialecten of over volkscultuur moeten ons kunnen vinden. En ze moeten snel worden doorverbonden naar iemand die ze deskundig te woord kan staan.'' Zo moet het Meertens Instituut de dialectologische en volkskundige evenknie worden van bekende eerbiedwaardige instituten als het Instituut Clingendael en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie -- een onderzoeksinstituut dat in dienst staat van de samenleving.
Van het vernieuwde Meertens Instituut moet een nieuw elan uitgaan. ``Het gebeurt nu wel dat mensen zich schamen voor hun werk, dat ze op verjaardagspartijtjes hooguit besmuikt toegeven dat ze `op Het Bureau' werken. Dat moet veranderen. Er worden heel interessante projecten uitgevoerd op het instituut.''
En dat alles gaat gesponsord worden door Coca Cola? ``Graag, want ook dat soort dingen horen bij de volkscultuur van de laatste vijftig jaar. Cola drinken is misschien geen deel van een eeuwenoude folklore, maar wel van de moderne Nederlandse beschaving. Vroeger stond op het dak van het gebouw waar we nu zitten een heel groot logo van Coca Cola, met de bekende krullerige letters. Ik hoop dat we op diezelfde plaats op het dak een logo van het Meertens Instituut kunnen plaatsen. In dezelfde grote neonletters.''







