Gevelstenen met spreuken of afbeeldingen dateren uit de tijd dat de huizen nog niet genummerd waren. In het juli/augustusnummer (2002) van Onze Taal, dat 13 juli verschijnt, gaat Riemer Reinsma in op de geschiedenis en achtergronden van dit typisch Nederlandse verschijnsel. Hier alvast een sterk ingekorte versie van dat artikel.
Taal in steen
Een kleine rondreis langs gevelstenen in Nederland
Riemer Reinsma
"De gekroonde Eenhoorn", "Ik hakte een acte in steen": het zijn twee voorbeelden van teksten die zijn uitgehouwen op gevels van Amsterdamse huizen. Zulke gevelstenen, met de naam van het huis, of met een spreuk of woordspeling, zijn tamelijk zeldzaam geworden. Bovendien vind je ze alleen in Nederland en in streken waar veel Nederlanders zijn geweest, zoals steden aan de Oostzee. Hoe het komt dat het een typisch Nederlands verschijnsel is, is niet echt duidelijk.
Herkenningspunten
De Nederlandse gevelstenen zijn voortgekomen uit iets wat wél internationaal gangbaar was: het uithangteken. De eerste gevelstenen ontstonden in de zestiende eeuw. In de zeventiende eeuw werden ze razend populair, al bleven ook de uithangborden in zwang. Gevelstenen waren niet alleen mooi maar ook uiterst nuttig. In een tijd waarin de straten nog geen vaste, officieel vastgestelde namen hadden (zo heette het Damrak in de wandeling vaak nog Het Water), vormden de gevelstenen handige herkenningspunten.
Onuitwisbaar
Alleen al in Amsterdam waren er in het midden van de achttiende eeuw ongeveer 1500 grachtenpanden met in de gevel zo'n steen waarop een gebeeldhouwde voorstelling te zien was, of een spreuk, of alleen een jaartal dat aangaf wanneer het huis gebouwd was. Maar aan het einde van de achttiende eeuw zette het verval in. De oorzaak was duidelijk: de straten kregen nu vaste namen, en de huizen werden genummerd. Van de 1500 Amsterdamse stenen is minder dan de helft bewaard gebleven. Vooral in de jaren vijftig en zestig zijn er vele gesneuveld.
Taalgrapjes

Wat de oude gevelstenen vooral zo interessant maakt, is dat er - net als op de uithangborden - vaak taalgrapjes en rebussen op stonden gebeiteld. Een aardig voorbeeld van zo'n rebus is nog te zien op de hoek van de Kloveniersburgwal en het Rusland, in Amsterdam. Een afbeelding van een wijnglas en een vissende man herinnert aan de dichter Roemer Visscher (een roemer is een groen glas voor rijnwijn).
Hakken
Andere taalatleten splitsten een woord in kleinere stukken, zodanig dat er een groep woorden met een nieuwe betekenis ontstond. Dit lot onderging bijvoorbeeld komenijswaren. Met dit woord werden vroeger zuivel, kruidenierswaren en fijne vleeswaren aangeduid. Jacob van Lennep en Jan ter Gouw melden in hun boek De uithangteekens (1868) dat een grappenmaker hiervan kom en eisch waren had gemaakt. Daar had hij veel succes mee: diverse komenijen - zoals winkels die deze waren verkochten heetten - namen het zinnetje over. Het werd zelfs zo serieus genomen dat het in adresboeken doordrong en tot een heuse volksetymologie uitgroeide. Nog in 1929 lezen we in de roman Jonker Johnny van Marie Joseph Brusse over een zekere "wijze Keesje, die ons geleerd had: 'Kom en eisch waren': van den komeneischbaas".
Symbolen
Voordat de huisnummering werd ingevoerd, waren het onder meer de neringdoenden en ambachtslieden die hun huis of bedrijf voorzagen van uithangtekens en gevelstenen. Ze gebruikten daarbij vaak vaste symbolen. Zo duidde een ossenkop een slager of huidenkoper aan, een troffel een metselaar, en een sleutel een smid. De schoenmaker hing een leest of een laars voor zijn deur, de grutter een molen, en de herbergier en wildeman. Sommige symbolen maken nog steeds een vanzelfsprekende indruk, zoals een varken voor een spekslager of een schaar voor een kleermaker. Maar de krans die het wijnhuis sierde, is alleen te begrijpen als je weet dat herbergiers een krans moesten uithangen als ze wijn of bier schonken.
Kleuren

Raadselachtig zijn ook de merkwaardige kleuren die sommige heraldische figuren hebben. Een 'Gouden Leeuw' lijkt dan misschien nog een beetje op zijn levende voorbeeld, maar er waren ook Blauwe, Rode en Zwarte Leeuwen. Het is mogelijk dat we in deze gevallen te maken hebben met symboolkleuren; ze drukken een kenmerkende eigenschap van een persoon uit: zwart betekende smart, rood bloeddorst en wit reinheid. Een andere mogelijkheid vinden we in het standaardwerk Handboek der wapenkunde (1943) van J.B. Rietstap. Hij schrijft dat de kleuren op wapenschilden maar één doel hadden: de strijders moesten van veraf te herkennen zijn aan de kleur. "Harde sprekende kleuren en scherpe omtrekken had men noodig." En misschien gold dat ook wel voor winkels en neringen. Ze moesten herkenbaar zijn - aan wélke kleur, dat maakte niet uit.










