In het aprilnummer van Onze Taal, dat 29 maart verschijnt, wordt uitgebreid ingegaan op het fenomeen 'kindertaal'. Een van de artikelen gaat over de verrassende, vertederende en vaak vermakelijke taalcreaties van kinderen. Hieronder een verkorte voorpublicatie van deze taalvondsteninventarisatie.
"Papa, mag het donker aan?"
Kindertaal verzameld en geordend
Paula Fikkert - Katholieke Universiteit Nijmegen
Wie het voorrecht heeft geregeld in het gezelschap van kinderen te zijn, hoort heel wat opmerkelijke staaltjes van taalcreativiteit. Kinderen die hun moedertaal aan het leren zijn, trekken alle registers open, en dat levert vaak onverwachte, meestal erg geestige en soms ook wel ontroerende taalvondsten op. Zulke kinderuitspraken zijn niet alleen vermakelijk, ze zeggen ook iets over hoe taalverwerving bij kinderen ongeveer in z'n werk gaat. Daarom riep de redactie van Onze Taal de lezers op om voorbeelden van kindertaal toe te sturen. Dat leverde honderden opmerkelijke citaten op, die zich lieten onderverdelen in zeven categorieën: klanken, woorden, regels en analogie, betekenis en woordcombinaties, perspectief, en verbeteren. Hieronder een kleine greep.
Klanken
Toen de vader van Levi zei dat de mensen in de stad joelen, reageerde Levi met: "De koeien loeien ook!" Kennelijk vatte hij joelen en loeien - die zijn opgebouwd uit dezelfde klanken - als hetzelfde werkwoord op. De vijfjarige Lonneke ontkende met grote stelligheid dat er in ons land geen rovers bestaan: "Hier zijn ook rovers: klaa-rovers."
Woorden
Als woorden wat uitspraak betreft op elkaar lijken, raken ze in de kindermond soms vermengd. Dat leidt dan bijvoorbeeld tot "hartelijke hapjes" en "Het huis stond in lichte vlaaien.".. Soms splitst een kind een samenstelling of woordgroep en kiest het voor één deel daarvan een woord dat op zichzelf dezelfde betekenis heeft: "ochtendham" voor ontbijtspek, "kapot wit" voor gebroken wit, "Vrouw Rennen" voor Vrouw Holle, en "een klas vogels" voor een school. "De blaadjes beginnen te fibbelen", zei een kind dat wilde zeggen dat ze bewegen in de wind. Vaak gaat het ook om nieuwe samenstellingen met bekende woorden: "luisterdopje" voor stethoscoop bijvoorbeeld, of "blijflollie" voor fopspeen, "wereldboek" voor atlas, "kaartbal" voor globe of "rugzakpiano" voor accordeon. Af en toe is het resultaat ook een bestaand woord dat de kinderen naar alle waarschijnlijkheid niet kennen, zoals "asielzoekers" voor mensen van het dierenasiel die zwerfdieren van de straat halen en "kilometer" voor weegschaal (die immers kilo's 'meet').
Regels en analogie
Kinderen weten ze dat zelfstandige naamwoorden op -e(n) vaak een meervoud aangeven, alleen gaan ze soms wat te ver in de praktische toepassing: "een toor" , "een groent", "een kleer", "een gaar", "een kus", "een vark", "Ik sla je met mijn deeg." De zevenjarige Michael kondigde aan: "Het is zo warm, ik ga vannacht in mijn bloot slapen", waarop zijn moeder reageerde met: "Dat heet je blootje." Michael was het daar niet mee eens, want, zo redeneerde hij: "Nee, dat was toen ik nog klein was. Nu heet het mijn bloot."
"Ik vielde"
Onregelmatige verleden tijden worden bij kinderen heel gemakkelijk regelmatig: "Mama heeft gestrijkt", "Jeroen is daar aangekomt", "Ik heb haar ook een hapje gegeeft", "Wij hebben papa gezoekt", "Ik glijdde mij daar uit", "gesnijd", "opgeëet". Soms worden volwassenen ook verbeterd: "Nee, je moet geklímd zeggen." Het omgekeerde komt ook voor. Soms maken kinderen van regelmatige vormen onregelmatige. Alet zei: "Ik ging zwaaien naar de rode auto (van Jeroen) die voorbijkwam", waarop haar moeder vroeg: "Zwaaide Jeroen ook terug?" Alet: "Ik zag niet wie er zwiej." Een ander kind zei: "Hij zwee naar mij." Nog meer voorbeelden: "Je vond het leuk dat ik dit meenoom, hè?" "Ik hoorde toch dat je priet." [= praatte] "Papa heeft getonken." [= getankt]
Betekenis en woordcombinaties
De precieze betekenis van werkwoorden levert nog weleens moeilijkheden op: quot;Ik kan het niet zoeken", "Ik zoek mama nergens." "Nu doe ik mijn muts af, want eerst vatte ik het koud en nu vat ik het warm". Bij het lezen van een bord met "Spaar de wilde planten", begon een achtjarig meisje onmiddellijk planten te verzamelen, waarmee deze oproep juist het tegenovergestelde effect had dan beoogd. Een kind van drieëneenhalf jaar heeft de vormen klimmen en klommen wel aan elkaar gerelateerd, maar dan op een geheel eigen wijze: "Klimmen is naar beneden, klommen is naar boven."
Perspectief
Voordat kinderen met ik naar zichzelf verwijzen, gebruiken ze daarvoor hun eigen naam: "Jelle wil een koekje". En zelfs als ze al wel ik gebruiken, blijft het verschil tussen ik en jij, mijn en jouw, ons en jullie, etc. nog lastig, zoals blijkt uit de manier waarop een kind een koekje vraagt: "Mag jij een koekje?" Een moeder vraagt haar zoontje: "Kom je bij ons zitten?" Aanvankelijk wil de jongen dat niet, maar even later bedenkt hij zich en zegt: "Mama, ik wil bij ons zitten!".
Verbeteren
Je kunt je afvragen of het niet doodzonde is om zulke 'ontsporingen' te corrigeren. Een heel andere vraag is of dat zinvol is. Over het algemeen heeft het verbeteren van de vorm niet veel effect, omdat bij kinderen de betekenis van een uiting centraal staat. De driejarige Tim vertelt zijn moeder "Mam, ik heb iets geks geruikt." Zijn moeder corrigeert: "Tim, het moet zijn geroken", maar Tim denkt dat zijn moeder de boodschap verkeerd begrepen heeft en zegt: "Ik heb niet geróókt, maar gerúíkt."










