Groter als, hun hebben, hij ken dat doen ... Wie maakt zich het drukst over zulke 'foute' taal? En wat wekt de meeste ergernis? De antwoorden vindt u in het februari/maartnummer van Onze Taal, dat op 15 februari verschijnt. Hier alvast een sterk verkorte versie van het artikel.

Stenen des aanstoots

Hoe ergerlijk kan taal zijn?

Renée van Bezooijen - Katholieke Universiteit Nijmegen

In 2001 heb ik met zeven studenten van de Katholieke Universiteit Nijmegen onderzoek naar taalergernissen gedaan. We richtten ons op grammaticale verschijnselen: woorden die ergernis oproepen door hun functie in de zin. Neem nu kennen. Het is niet het woord zelf dat irritatie oproept, maar de manier waarop het wordt gebruikt in zinnen als 'Ken jij dat morgen even doen?' In onze enquête legden we zeventien van dergelijke verschijnselen voor aan onze 222 proefpersonen: 173 Nederlanders en 49 Vlamingen. De Nederlandse informanten waren gelijkelijk verdeeld over drie leeftijdsgroepen: 18-25 jaar, 26-50 jaar en 51 jaar en ouder. De Vlaamse informanten behoorden allen tot de jongste leeftijdsgroep. Wij vroegen de proefpersonen in welke mate ('niet', 'een beetje', 'veel' of 'erg veel') ze zich aan een bepaald verschijnsel stoorden. De uitslag van de enquête vindt u hieronder.

Verandering in houding

We vroegen ons niet alleen af aan welke taalverschijnselen men zich het meest ergert,maar ook of ouderen zich meer ergeren aan 'fout' taalgebruik dan jongeren. Op grond van de resultaten uit de enquête moeten we hiervan inderdaad uitgaan.

Gemiddelde irritatiegraad. Klik voor vergroting.
Donkerpaars: vrouw
Lichtpaars: man

De oudere mannen en vrouwen (51 jaar of ouder) ergeren zich gemiddeld het meest. De informanten uit de middelste leeftijdsgroep (26 tot 50 jaar) verschillen weinig van de jongeren (18 tot 25 jaar), althans dat is de situatie in Nederland. Er zijn een paar specifieke verschijnselen waar de ouderen zich meer aan ergeren dan de jongeren en waarbij de middengroep een duidelijke tussenpositie inneemt:

Leeftijdgebonden beoordeling. Klik voor vergroting.
Donkerpaars: 18-25 jaar
Middelpaars: 26-50 jaar
Lichtpaars: 51 jaar en ouder

Hoe valt dit verschil tussen ouderen en jongeren te verklaren? Het zal ermee te maken hebben dat de verschijnselen naarmate de tijd verstrijkt steeds acceptabeler worden, en dat dit van 'onderaf' gebeurt. Je kunt ervan uitgaan dat er een voortdurende verandering in de houding tegenover bepaalde taalverschijnselen aan de gang is. Dat zou ook betekenen dat op den duur niemand zich meer zal ergeren aan de C&A, het verslag wat, met hun of de reizigers worden verzocht.

Vrouwen kritischer

Een kritische instelling blijkt niet alleen samen te hangen met leeftijd. Zo bleken vrouwen - vooral die uit de middengroep - kritischer dan mannen. En de Nederlandse jongeren lijken zich sneller te ergeren dan de Vlaamse, maar de resultaten kunnen beïnvloed zijn doordat de selectie van opgenomen taalverschijnselen is gebaseerd op Nederlandse bronnen. Waarschijnlijk zijn er ook taalverschijnselen waaraan Vlamingen zich eerder ergeren, bijvoorbeeld Franse leenwoorden. De twee verschijnselen die de jonge Nederlanders het irritantst vinden, zijn kunnen in plaats van kennen en andersom. Ze sluiten zich in dit opzicht aan bij hun oudere landgenoten. Het verwarren van kennen en kunnen roept bij de Vlaamse jongeren veel minder ergernis op, maar staat evengoed in hun ergernissen-top-drie. Alleen hun als onderwerpsvorm wordt als nog storender ervaren.

De ergernissen-top-zeventien.

Tussen haakjes staat de gemiddelde beoordeling van de grammaticale verschijnselen, waarbij 0 staat voor 'wekt geen ergernis' en 3 voor 'wekt erg veel ergernis'.

1. Kennen i.p.v. kunnen (1,94)
- Ken jij dat even doen?
- Ze kennen morgen niet komen.

2. Kunnen i.p.v. kennen (1,92)
- Ik weet zeker dat ik hem ergens van kan.
- Kon jij die vrouw die daar fietste?

3. Hunals onderwerpsvorm (1,74)
- Toen hebben hun een suikerspin gekocht.
- Hun zijn maandag naar de kermis geweest.

4. Omschrijvend doen (1,56)
- Doe jij even de aardappelen schillen?
- Wat doen we eten vanavond?

5. Dan i.p.v. gelijkheid-aanduidend als (1,44)
- Mijn nichtje is even groot dan mijn zusje.
- Onze hond is even oud dan het konijn van de buren.

6. Vergrotende trap met als (1,29)
- Een flat is hoger als een huis.
- Hij heeft harder gelopen als zijn buurman.

7. Dubbele ontkenning (1,23)
- Je hebt nooit geen geld bij je.
- Jullie hebben nooit nergens zin in.

8. Hun na voorzetsel (0,93)
- Ik wil niet met hun samenwerken.
- Hij heeft een bos bloemen voor hun gekocht.

9. Wat i.p.v. betrekkelijk voornaamwoord dat (0,93)
- De docent vond het verslag wat ik geschreven had niet goed.
- Het beleid wat de gemeente voert, kost veel geld.

10. Verbuiging van versterkende bijwoorden (0,76)
- We hadden een erge leuke dag in het pretpark.
- In de etalage staan hele mooie schoenen.

11. Overtreffende trap met meest (0,75)
- Deze leefomgeving is voor kikkers het meest natuurlijk.
- Dat is het meest mooie schilderij van de hele tentoonstelling.

12. Hen als meewerkend voorwerp (0,73)
- De leraar gaf hen niet veel huiswerk.
- Waarom heb je hen niet naar hun mening gevraagd?

13. Lidwoord bij namen van bedrijven (0,64)
- Morgen is het koopavond bij de C&A.
- Ik doe altijd boodschappen bij de Albert Heijn
(in Vlaanderen: de Delhaize).

14. Meewerkend voorwerp als onderwerp van passieve zin (0,62)
- De bewoners worden gevraagd het pand te ontruimen.
- De verraders werden het zwijgen opgelegd.

15. Een aantal + meervoudige persoonsvorm (0,61)
- Er komen een aantal mensen niet op mijn feestje.
- Een aantal mensen waren getuige van de inbraak.

16. Zo minimaal/optimaal mogelijk (0,44)
- De overlast moet zo minimaal mogelijk gehouden worden.
- Het voetbalteam moet zo optimaal mogelijk presteren.

17. Een van de + meervoudig woord + die + enkelvoudige persoonsvorm (0,43)
- Het gaat om een van de jongens die goed kan voetballen.
- Vanochtend werd een van de mensen die hier werkt, ontslagen.