Juryrapport Groenman-taalprijs Frits Spits
Onder de titel `Welk Nederlands na 1992?' meldde de taalkundige Jan Stroop "de ontwikkeling van een min of meer uniforme standaardtaal naar een breed spectrum van (geaccepteerde) variëteiten, in feite de afwezigheid van een echte standaardtaal'', en speciaal met betrekking tot de taal bij de omroep voegde hij daaraan toe: "De gedachte dat het spreken in een microfoon een speciaal soort Nederlands vereist, is nog niet helemaal verdwenen, in het bijzonder niet bij onze nationale omroepen, maar zelfs daar zijn tekenen van een mentaliteitsverandering merkbaar.''
Dat de Groenman-taalprijs van de Stichting LOUT dit keer naar Frits Spits gaat – in het gewone leven Frits Ritmeester – is dan ook een erkenning dat na het verdwijnen van deze geïdealiseerde uniforme standaardtaal er nog steeds waardering is voor een mediastem met een voorbeeldfunctie. Frits Spits beantwoordt aan het nieuwe ideaal van de hedendaagse mediastem zoals dat in Nederland onder de bevolking leeft. Recent onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de gemiddelde Nederlander – anders overigens dan de gemiddelde Vlaming – niet zo gesteld is op een overdreven verzorgd en in zuinige voordrachtuitspraak geuit Nederlands, maar juist verwacht dat het media-Nederlands afwisseling biedt, ongedwongen klinkt, levendig is, kortom, dat het – bij volledige verstaanbaarheid – vlot en creatief varieert.
Spits' stem klinkt nooit vlak, toonloos of vermoeid. Altijd zijn stemgebruik en woordkeuze optimaal aangepast aan de omstandigheden. Een nieuw boek leidt hij in met enkele goed gekozen zinnen die kort en krachtig inhoud en strekking weergeven. Een vraaggesprek voorziet hij van een bondige inleiding, maar in het interview zelf laat hij daardoor des te meer ruimte aan de sprekers. Meer nog, met kleine prikjes lokt hij ze uit. Bij Spits geen afwerking van een obligaat vragenlijstje op een steriele radiotoon, maar een gevarieerd vragenspel. De wat wereldvreemde en betweterige hoogleraar dwingt hij tot duidelijkheid met prikkelende onderbrekingen als: "Legt u dat eens uit'', "Geef eens een voorbeeld'', "Waarom vindt u dat?''. Politici dwingt hij tot echte uitspraken door ze te confronteren met problemen of tegenstrijdigheden. Tegenover slachtoffers en getroffenen geeft hij dan weer blijk van meevoelen en sympathie. Hij is niet bang voor echte ontroering, niet bang ook voor de persoonlijke formulering. Maar vóór alles is hij respectvol. Verder heeft hij dat benijdenswaardige vermogen om te enthousiasmeren, om openlijk mee te leven. Hij experimenteert met de taal, tast speels alle registers af, wordt po‘tisch waar het past, uitgelaten waar het mag, serieus waar het nodig is.
Toch krijgt Frits Spits de LOUT-prijs niet alleen om zijn mediastem, zijn formulering en zijn interviewtechniek. Van 1990 tot 1994 was hij met hoorbaar enthousiasme presentator van het programma 'NOS-taal'. Verder heeft hij zich vooral persoonlijk ingezet om zijn grote luisterpubliek het Nederlands creatief te laten gebruiken. Hij lanceerde eind jaren zeventig in het populaire NOS-radioprogramma 'Avondspits' de poplimerick. 'De luisteraars zijn toch ook tot iets in staat', aldus Spits. De poplimerick is een variant van de traditionele limerick, met daarin verwerkt de titel van een plaat, de naam van een artiest of groep, of beide. Frits Spits kreeg duizenden luisteraars zo ver dat ze met insturing van zo'n poplimerick hun favoriete plaat aanvroegen. Ze droegen met creatief Nederlands bij aan het programma. Niet voor niets bundelde Frits Spits de beste poplimericks in een boekje. Hieruit één voorbeeld:
Een steward aan boord van een stoomboot
zag toen hij de deur van zijn hut sloot
een muis met een fluit
die stil voor zich uit
heel zachtjes 'The year of the cat' floot.
En Frits Spits blijft zijn luisterpubliek tot taalcreativiteit stimuleren. Daarin verraadt zich misschien nog steeds de neerlandicus, de oud-leraar Nederlands. In zijn huidige radioprogramma 'Tijd voor Twee', elke werkdag tussen 12 en 2, heeft hij in 1995 de rubriek 'Tweespraak' geïntroduceerd. Luisteraars reageren op een eerste zin door een humoristische dialoog in te sturen. Grote groepen luisteraars buigen zich – aangezet tot dit creatieve Nederlands – over deze 'tweespraak'.
Frits Spits houdt zo de taal levend en levendig. Dat is een bekroning waard.
Namens de jury van de Groenman-taalprijs
dr. H. Heestermans
prof. dr. L. Beheydt
drs. P. Smulders
Uit het dankwoord van Frits Spits
"Natuurlijk ben ik blij met de prijs, natuurlijk voel ik me gevleid en natuurlijk is mijn ijdelheid gestreeld. Maar tegelijkertijd voel ik me er wat ongemakkelijk bij. Want het is maar zelden dat ik zelf tevreden ben over de taal die ik uit, en een onderscheiding daarvoor, dat is wel het laatste waarvoor ik denk in aanmerking te komen. Zo vaak zijn de zinnen gemankeerd, zo vaak is een woord onvolkomen, meestal slaag ik erin om alleen maar te ráken aan wat ik bedoel. Het is maar af en toe dat ik denk: 'Dat heb ik goed gezegd'. Die momenten zijn er natuurlijk wel – het zijn momenten van bijzondere inspiratie, momenten die ik koester.
Ik herinner me de afkondiging van 'True colours' van Cindy Lauper, dat is een stilmakend mooi liedje. Ik zei nadat de plaat was uitgeklonken: 'Mooi als een ijsbloem op vensterglas'. Die zin zei alles over de sfeer die naar mijn mening bij het liedje hoort. Niet dat ik er lang over na had kunnen denken – vaak gunt radio je de rust niet om lang na te denken over wat je gaat zeggen. (...) Dat heeft z'n charme, vaak klinkt de taal dan spontaan en oprecht en ongekunsteld, en af en toe levert het dan wat op wat de moeite waard is, zoals die ijsbloem. Maar het heeft ook nadelen. (...) Toch heb ik al die jaren gekozen voor het spontane taalgebruik, het risico dat het onvolkomen was maar op de koop toenemend. (...)
Ik wil de prijs opdragen aan al die popmusici die mij woorden in de mond hebben gelegd, die ervoor gezorgd hebben dat in mijn taal de passie doorklonk die zij in mij hadden losgemaakt. Vooral wil ik de popmusici bedanken die in de Nederlandse taal liedjes hebben gemaakt. Ze hebben de belangrijkste naoorlogse culturele stroming, de popmuziek, een eigen Nederlandse stem gegeven: Lennart Nijgh, Boudewijn de Groot, Frank Boeijen, en groepen als Doe Maar, Het Goede Doel, Van Dik Hout en niet te vergeten De Dijk. (...) De regels 'Ze kwam binnen zonder kloppen / en ging weg zonder een woord' zijn inderdaad literatuur, omdat ze zoveel ruimte bieden aan de fantasie. (...) Als je zulke taal tegenkomt op je weg, dan kan het toch niet anders dan dat je daar zelf beter van wordt.''




