Print deze pagina

Aan de bak komen

Waar komt de zegswijze aan de bak komen vandaan?

Aan de bak komen betekent 'de gelegenheid/kans krijgen om iets te doen' en ook 'de kans krijgen om te laten zien wat je kunt'; daaruit ontwikkelde zich de betekenis 'werk vinden'. Aan de bak! komt ook als aansporing voor in de betekenis 'aan het werk'; soms wordt dit gezegde nog versterkt met vol: 'We moesten vol aan de bak.'

Het woord bak gaat hier volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) terug op de houten balie waarin de warme maaltijd voor de schepelingen werd opgediend. Balie betekent hier niet iets als 'loket', maar het is een oude benaming voor een houten kuip. Marc De Coster vermeldt in zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans (2002) bij bak: "Bak is een oude zeemansterm voor 'een grote houten kuip of kom waarin de warme kost voor matrozen (ingedeeld in groepjes van zes tot acht man) werd opgediend'. Deze betekenis vinden we bijvoorbeeld nog terug in een roman van Jan de Hartog (De kunstenaar, 1989): 'Het was de traditie van de zeevaartschool dat iedere groep van vijf jongens, bak genaamd, een zeevader kreeg toegewezen.' Aan het hoofd van deze gemeenschappelijke bak zat de baksmeester. Wie niet aan de bak kwam, kreeg dus zijn portie eten niet uitgeschept. Verschillende gezegden hebben betrekking op deze betekenis van bak: aan de bak gaan ('aanzitten aan de familiedis'), stilte aan de bak ('stil daar'); geen slag aan de bak kunnen krijgen ('niet aan de beurt, niet aan het woord kunnen komen'); goed bij de bak zijn ('een stevige eetlust hebben'); flauwe bak ('flauwe grap'). Bij dit laatste wordt de inhoud van de bak metonymisch gebruikt voor 'flauwe kost'."

Trefwoorden

terug