Wél een e

Je schrijft in de meeste gevallen een e. Er komt een e achter het bijvoeglijk naamwoord als:

  • er een de-woord op volgt: snelle auto, de mooie woning, die lieve jongen;
  • er een meervoud op volgt: snelle auto’s, mooie woningen, mooie huizen;
  • er een het-woord op volgt én het voorafgegaan wordt door:
    • hethet mooie huis
    • dit, dat: dit mooie huisdat brede kanaal;
    • mijn, jouw, zijn, haar, uw, ons, jullie, hunons mooie huis, uw lekkere recept, hun oude autootje;
    • of de bezitsvorm van een eigennaam: Lisa’s mooie huis.

Géén e

Er komt géén e achter het bijvoeglijk naamwoord als:

  • er een het-woord op volgt én er een voor staat: een mooi huis, een stoer meisje;
  • er een het-woord op volgt én een van de volgende woorden voor staat: ander, anderhalf, één, elk, enig, geen, genoeg, ieder, meer, minder, menig, (te) veel, (te) weinig, wat, welk, zo’n of zulk: ander vreemd geld, anderhalf belegd broodje, elk lief kind, enig goed nieuws, geen mooi huis, genoeg slap gepraat, meer/minder lekker eten, menig nieuw Kamerlid, (te) veel/weinig contant geld, wat nieuw leesvoer, welk slim kind, ​​​​​​​zo’n brutaal nest, zulk mooi weer;
  • er een het-woord op volgt én er geen ander woord voor staat: ‘Leuk huis hebben jullie’, ‘Mooi dingetje, die Apple’.

In deze gevallen is het-woord ‘onbepaald’ gebruikt. Dat betekent dat er geen bepaald lidwoord (het) of voornaamwoord (dat, mijn, etc.) voor staat.

Uitzonderingen

Op deze basisregels bestaan uitzonderingen:

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!