De koninklijke weg gaan
De koninklijke weg gaan/bewandelen betekent volgens Van Dale (2005) 'niet op de zijpaden gaan, geen slinkse wegen bewandelen' en 'de eenvoudigste, meest gebruikelijke weg (tot iets) volgen'. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vermeldt: "Aanvankelijk stond de koninklijke weg voor de weg die je het snelst bij een bepaald doel brengt, want de koninklijke weg was vroeger een grote openbare weg. In veel teksten staat de koninklijke weg tegenwoordig voor weliswaar de beste, de juiste, de officiële weg, maar niet voor de meest realistische weg."
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) geeft als eerste betekenis bij koninklijke weg/baan "de groote, openbare weg, de rijksweg". De koninklijke weg wordt al eeuwen (ook) figuurlijk gebruikt; het WNT geeft de betekenis: "de openlijke, rechtschapen, 'royale' manier (van doen, van leven); in verzwakte betekenis ook: de gebruikelijke of de kortste manier. Vooral in de verbinding den koninklijken weg gaan, op openlijke, eerlijke –, op de gebruikelijke manier te werk gaan."
Volgens Van Dale (2005) gaat deze uitdrukking terug op de Bijbel, en wel op het vierde boek van het Oude Testament, Numeri, hoofdstuk 20. In vers 17 vraagt Mozes aan de koning van Edom of de Israëlieten door diens land mogen trekken: "Sta ons toe door uw land te trekken. We zullen niet door akkers en wijngaarden gaan en we zullen geen water uit bronnen drinken. Zolang we ons in uw gebied bevinden, zullen we de koninklijke hoofdweg volgen en daarvan niet afwijken, naar links noch naar rechts."




