Print deze pagina

Groenekool / groene kool, rodekool / rode kool, wittekool / witte kool

Worden rode( )kool, groene( )kool en witte( )kool aaneengeschreven?

Rodekool en wittekool komen als één woord (als samenstelling) voor in Van Dale (2005); groene kool niet. Het Groene Boekje en het Witte Boekje hebben alleen rodekool als samenstelling opgenomen.

Groene kool is een woordgroep die bestaat uit een bijvoeglijk naamwoord (groen) en een zelfstandig naamwoord (kool). Er verschijnt een buigings-e achter het bijvoeglijk naamwoord groen omdat kool een de-woord is: groene kool. (In bijvoorbeeld groen gewas is groen juist, omdat het het gewas is.) Ook rodekool en wittekool waren ooit woordgroepen en werden door Van Dale los geschreven.

Sinds de zevende druk (1950) komen rodekool en wittekool aaneen (als samenstelling) in Van Dale voor. Daarmee zijn het bijzondere samenstellingen: het gebeurt niet zo vaak dat een woordgroep die bestaat uit een verbogen bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord een samenstelling wordt. Dit gebeurt alleen bij woordgroepen die vaak voorkomen. De gehele combinatie heeft dan bovendien vaak een iets andere betekenis gekregen dan af te leiden valt uit de losse delen van de woordgroep. Zo is een hoge school een school die hoog is; een hogeschool is een bepaald type school. Het verschil is soms duidelijk te horen aan de klemtoon. In hoge school krijgen beide woorden klemtoon, maar in hogeschool (uitspraak: [hogeschóól]) is er één hoofdklemtoon hoorbaar. Dit wordt ook wel 'eenheidsaccent' genoemd: het accent dat de eenheid van de samenstelling benadrukt.

Maar vaak is er geen eenheidsaccent hoorbaar en is er ook geen duidelijke toegevoegde betekenis. Dat is het geval bij rodekool en wittekool – het gaat gewoon om kool die rood respectievelijk wit is. Wie rode kool en witte kool schrijft, net als groene kool en wilde kool, maakt zeker geen grote fout. Deze categorie samenstellingen bevat vooral dictee-instinkers: je moet soms simpelweg wéten dat ze officieel aaneengeschreven worden. De belangrijkste zijn:

  • armelui
  • bangebroek
  • blauweregen
  • blindedarm
  • blindeman
  • doveman
  • dovenetel
  • goedemiddag
  • goedemorgen
  • halvemaan
  • hardebol ('stijfkop')
  • hardejantjes ('soort zoete winteraardappelen')
  • hogehoed
  • hogepriester
  • hogeschool
  • jongedame
  • jongedochter
  • jongeheer
  • jongejuffrouw
  • jongelieden
  • jongelui
  • jongeman
  • kortebaan (verkorting van 'kortebaanwedstrijd')
  • kortemaand ('februari')
  • kortewagen ('kruiwagen')
  • langebaan ('400-meterijsbaan'; maar: iets op de lange baan schuiven)
  • langejaap ('middelvinger' (in kinderversjes))
  • lievevrouw ('Lieve-Vrouwebeeld')
  • mallemolen
  • mallepraat
  • nieuwemaan
  • oudeheer
  • met oudejaar
  • oudelui, ouwelui ('ouders')
  • plattegrond
  • plattekaas ('kwark')
  • platteland
  • rijkelui
  • rodehond
  • rodekoorts
  • rodeloop ('dysenterie')
  • sterkedrank
  • valsemunter
  • vettekous ('veldsla')
  • vollemaan
  • wittebrood
  • wittekaas ('kwark')
  • zwartemantel ('pestvogel')
  • zwartepiet ('iemand de zwartepiet toespelen')

Samenstellingen die bestaan uit een ónverbogen bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord komen veel vaker voor, en daarvan is de schrijfwijze als samenstelling een stuk gewoner. Voorbeelden: breedband, bruinkool, dikzak, frisdrank, kleindochter, nieuwjaar, oudoom, platbodem, roodvonk, slapjanus, snelweg, vlugschrift, vrijkaart, witlof, zuurkool.

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug