Iets in je schild voeren
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) geeft drie betekenissen bij iets in zijn schild voeren: "dat tot wapen of als figuur in zijn wapen hebben", "dat tot leus hebben, zich daarop toeleggen" en ("in een jongere doch ook reeds oude opvatting") "heimelijk voorhebben, heimelijk van plan zijn". Alleen de laatste betekenis is tegenwoordig gangbaar.
Voor de herkomst van deze zegswijze moeten we terug naar de riddertijd, toen de ridders schilden met zich meedroegen. Riemer Reinsma schrijft in het Onze Taal Taalcahier Gezegden het volgende: "Datgene wat een ridder in zijn schild voerde, was een symbolische afbeelding of – onder het schild – een wapenspreuk. De afbeelding kon bijvoorbeeld een leeuw, adelaar of lelie zijn. Vroeger was er dus niks stiekems aan wanneer iemand iets in zijn schild voerde, integendeel. Aan zo'n figuur of aan de wapenspreuk konden vriend en vijand zien met wie ze te maken hadden, tot welke partij hij behoorde, waar hij naar streefde, welke plannen hij koesterde, enzovoort. Zo lezen we in een middeleeuwse tekst: 'Hi voerde ooc in sinen scilde enen leu (leeuw) die was root.' In de loop van de zeventiende eeuw, toen men de riddercultuur ontgroeid was en de oorspronkelijke betekenis van de uitdrukking niet meer begreep, kreeg de uitdrukking haar moderne betekenis: stiekem voorbereidingen treffen voor iets wat het daglicht niet kan verdragen."
Het WNT vermeldt nog twee zegswijzen met het woord schild: iemand in het (in den) schild varen of vallen ('hem te lijf gaan, hem aanvallen') en iemand op het schild heffen (een oud-Germaans gebruik bij de huldiging van vorsten, in figuurlijk gebruik: 'iets een hoge rang, groot aanzien verlenen').




