Je laatste oortje versnoept hebben
Wie kijkt alsof hij zijn laatste oortje heeft versnoept, staat of zit er sip en verslagen bij.
Met oortje wordt hier verwezen naar een oud muntstuk, dat ongeveer een kwart stuiver waard was. Wie zijn laatste oortje 'versnoept' oftewel uitgegeven heeft, heeft helemaal niets meer en kijkt niet blij, aldus het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006).
F.A. Stoett vermeldt de zegswijze ook, maar spelt oordje, met een d. Oord betekende 'hoek'. De munt werd oordje genoemd omdat in de Middeleeuwen veel munten door een kruis in vier hoeken of oorden werden verdeeld. Daardoor ging oord(je) 'een vierde deel van een munt' betekenen, aldus het Etymologisch Woordenboek van Van Dale (1997). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) schreef in 1894 bij oord(je): "In Noord-Nederland, waar het verband met het grondwoord zoogoed als niet meer wordt gevoeld, [wordt] meestal oortje geschreven." Tegenwoordig wordt alleen de t in oortje als juist beschouwd; een mooi voorbeeld van een fout die het tot norm heeft weten te brengen.
Van Dale (2005) vermeldt nog wel enkele samenstellingen waarin de d bewaard is gebleven. Zo betekent oordjedood spelen 'niets willen geven'. Een oordjedood was een benaming voor een gierigaard ('iemand die op een oordje dood bleef'). En een oordjeskaars was oorspronkelijk de benaming van een kaars die maar een oordje kostte. Later werd het ook een aanduiding voor iemand met een bleek en mager gezicht.
In het WNT komen meer zegswijzen met oordje voor, zoals 'Een oordje in 't zakje leggen om er een schelling uit te halen' ('een kleine som investeren en hopen op grote winst') en het vroeger in Vlaanderen voorkomende oordje gierig en stuiverke zot ('soms niets willen uitgeven, en dan ineens een veel grotere som verspillen').




