Print deze pagina

Op zijn paasbest

Waar komt de zegswijze op zijn paasbest vandaan?

Op zijn paasbest betekent 'piekfijn'. Iemand die op zijn paasbest gekleed is, heeft zijn beste (nieuwe) kleren aan.

De zegswijze verwijst naar het gebruik om met Pasen nieuwe kleren aan te trekken. Tegenwoordig is dit niet meer algemeen gebruikelijk, maar in de tijd van F.A. Stoett kennelijk nog wel.

In het Woordenboek der Nederlandsche Taal staan nog meer zegswijzen waarin Pasen een rol speelt. De bekendste is als Pasen en Pinksteren op één dag vallen (wat 'nooit' betekent). Minder bekend zijn het is Pasen en Pinksteren ('heel gelukkig, heel voordelig'), Pasen en Pinksteren laten zien ('alles laten zien'; vooral: 'de schaamdelen laten zien'), men roept zo lang Pasen, tot het eens komt (gezegd van zaken die eindelijk komen, nadat men er lange tijd naar uit heeft gekeken), vijgen na Pasen (gezegd van iets wat te laat komt) en als hij lacht, is het Pasen achter zijn oren (gezegd van iemand die zelden lacht). Daarnaast zijn er nog de oude volkswijsheden: witte Kerstmis, groene Pasen en groene Kerstmis, witte Pasen.

Trefwoorden

terug