Pannenkoek, pannekoek / pankoek
Het zou inderdaad heel wat makkelijker zijn als er geen tussenklank tussen pan en koek stond. Dan hoefde niemand na te denken over een tussen-n in panne(n)koek; het was dan gewoon pankoek. Maar dat ligt niet zo makkelijk: we zeggen nu eenmaal [pannuhkoek] en deze tussenklank wordt ook geschreven; soms als -e- en soms als -en-.
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt naast pannekoek de varianten pannekoeke en pancoeke; de spelling zonder tussenklank kwam vroeger dus weleens voor. Van Dale vermeldde echter al in zijn eerste druk pannekoek (vanaf 1995 is dat pannenkoek vanwege de vanaf toen geldende officiële regels voor de spelling van de tussenklank e(n)).
Waar komt die tussenklank vandaan? Bij sommige woorden is het een rest van een uitgang die nu niet meer geschreven wordt. In de Middeleeuwen eindigden bijvoorbeeld spin en ziel op een e: spinne, ziele. Later (in de Renaissance, vooral in Holland) verviel die slot-e, maar in samenstellingen als spinneweb en zielerust bleef hij bewaard. Ook in enkele vaste verbindingen als ter ere van en van ganser harte is die e nog aanwezig. Daarnaast heeft het oude naamvalsysteem een rol gespeeld. Onder invloed van der menschen zone (de en-uitgang duidde een tweede naamval, een genitief aan), werd het mensenzoon.
Vanaf de negentiende eeuw raakte het naamvallensysteem echt in onbruik in het Nederlands; de tussen-e(n) werd een verbindingsklank die in sommige woorden als e werd geschreven, en in andere als en.
Over het algemeen hebben we behoefte aan een tussenklank als het eerste deel van de samenstelling een woord is dat uit één lettergreep bestaat: pannekoek (pan), bessensap (bes), herenhuis (heer). Dat dit vuistregeltje niet altijd opgaat, blijkt uit bijvoorbeeld hoefsmid en tandarts.
Soms bestaan er twee varianten: pannelikker/pannenlikker wordt ook wel zonder tussen-e(n) geschreven: panlikker. Ook panbrood en pandeksel komen zonder tussen-e(n) voor in Van Dale (2005). Pankoek niet, al wordt het nog wel een enkele keer gebruikt.




