persoonsvorm
- Een aantal collega’s ging / gingen op cursus
- Een aantal van de mensen die hier wonen / woont
- Baat / baad / baadt het niet, dan schaad / schaadt het niet
- Basketbalde, baseballde
- De experimenten was / waren geen lang leven beschoren
- Betalen: betaald / betaalt
- Dagvaarden: zij dagvaart / dagvaardt
- De data is / zijn onderzocht
- Dat is / zijn mijn boeken
- D, t of dt
- Een op de drie jongeren drinkt / drinken
- Een van de eersten die de grap doorhad / doorhadden
- Engelse werkwoorden in het Nederlands
- Eruitzien / er uitzien / eruit zien
- Het ga je goed / het gaat je goed
- Gebeuren: gebeurt / gebeurd
- Alle collega’s gelieve / gelieven
- Gestalte geven: de plannen wordt / worden gestalte gegeven
- Gezegde
- Gunnen: worden / wordt uw ogen rust gegund
- Het hoe en wat is / zijn
- Hou / houd
- Ik ben het die dit onzin vind / vindt
- Ik die is / ik die ben
- Ik wordt wij / ik word wij
- Jij of ik neem / neemt contact op
- Jong en oud vermaakte / vermaakten zich
- ‘t Kofschip
- Je kunt / je kan
- Een kwart van de toeschouwers verlieten / verliet de zaal
- Leasen: leasede / leasde / leasete / leaste
- Leve / leven de kinderen!
- Hij mag / magt kiezen
- De media heeft / de media hebben
- Niesen: nieste / niesde
- Opa of oma komt / komen
- Organiseren: organiseerd / organiseert
- Passen: passte / paste
- Persoonsvorm
- Het probleem is / zijn de afstanden
- Problemen die hulp noodzakelijk maakt / maken
- 50 procent betalen / betaalt
- Skiën: ik ski / ik skie
- Sommeren: de betogers werd / werden gesommeerd
- Dit soort situaties is / zijn te voorkomen
- Twee treinen extra is / zijn voldoende
- Ik typ / type
- Van toen af aan wonen wij / woonden wij
- Veranderen: veranderd / verandert
- Verhuizen: verhuisd / verhuist
- Verkeren: verkeerd / verkeert in goede staat
- Verleden tijd: jij was Harry Potter
- Naar verluid / naar verluidt
- Vermenigvuldigen: vermenigvuldigd / vermenigvuldigt
- Verrassen: verraste / verrastte
- Verzoeken: reizigers worden / wordt verzocht
- Vind u / vindt u
- Wachten: het onderwijs wacht / wachten veranderingen
- Wat was uw naam / wat is uw naam
- Werkwoordsvolgorde: is gelopen / gelopen is
- Wilden / wouden / wouen / wouwen
- Je wil / je wilt
- Willen: de klant wil / wilt kwaliteit
- Daaronder wordt / worden alle brieven verstaan
- Word je / wordt je kampioen
- Word je / wordt je kwalijk genomen
- Word je / wordt je salaris gestort
- Het zij zo / het zei zo
- Zinde / zon op wraak
- Zoudt u / zou u
- Zowel Sander als Lisa woont / wonen




