sterk/zwak werkwoord
- Zo gewonnen, zo geronnen
- Hij joeg / jaagde op hazen
- Roerbakken: roergebakken / geroerbakt
- Scheppen - schiep - geschapen / schepte - geschept
- Spuitgegoten / gespuitgiet
- Sterk, zwak, onregelmatig werkwoord
- Verschuilde / verschool
- Wilden / wouden / wouen / wouwen
- Wuifde / woof
- Zinde / zon op wraak
- Zwoer / zwoor / zweerde




