380 jaar geleden, op 29 juli 1632, overleed in Haarlem Samuel Ampzing, net 42 jaar oud. Hij was toen al dertien jaar dominee van de Sint-Bavokerk in Haarlem, maar zijn belangstelling beperkte zich niet tot de kerk alleen. Hij liet zich horen over politieke kwesties, maar was vooral ook actief als dichter, vertaler, geschiedschrijver en taalkundige. Zijn bekendste werk, Beschryvinge ende lof der stad Haerlem in Holland (1628) was een berijmde beschrijving van de historie van zijn woonplaats, waarvan de geschiedkundige kwaliteiten in latere tijden meer lof kregen dan de literaire. Zijn dichtwerk was verzorgd, maar braaf. In zijn verhandeling Taelbericht der Nederlandsche spellinge (1628) legde hij zijn ideeën neer over spelling en grammatica – maar ook die zijn niet heel bijzonder. Wél opvallend is Ampzings fanatisme als het gaat om taalzuivering. Geheel tegen de heersende mode in – de in die tijd welig tierende rederijkersgezelschappen pronkten graag met een woordje buitenlands – roept hij op tot het weren van alle Frans en Latijn uit het Nederlands.

Na Ampzings dood zakte zijn status af tot die van voetnoot in de geschiedenis van Haarlem. Dat zou hij ook nog steeds geweest zijn als hij niet in 1995 uit de geschiedenisboeken was opgediept door een Haarlems muziekgezelschap onder leiding van kunstenaar Eric Coolen. Deze muzikanten zijn een goedmoedig soort purisme toegedaan, dat ze uitdragen in liederen met anti-Engelse teksten, en de tegen buitenlandse smetten strijdende dominee werd hun boegbeeld. Dankzij dit Ampzing Genootschap, zoals ze zich noemen, is Samuel Ampzing na ruim 350 jaar weer een bekende Haarlemmer. Sinds een paar jaar heeft hij zelfs een borstbeeld naast de Sint-Bavo, de kerk waar hij ooit dominee was.