Indruk maken met 'dure' woorden is van alle tijden. Je zou bijna denken dat andere talen ervoor zijn uitgevonden om ons van voldoende moeilijke woorden te voorzien om indruk te maken. Maar lachen om mensen die proberen moeilijke woorden uit vreemde talen te gebruiken maar dat net verkeerd doen is waarschijnlijk precies even oud. Ha, kijk hem eens plechtig doen!

Deze week verscheen er in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren een heerlijk nieuw werkje voor de liefhebber: het achttiende-eeuwse Barbarologia van Salomon van Rusting. Dat boekje bevat een lange lijst met 'boerenlatijn', verbasterde moeilijke woorden uit de mond van lager (of niet) opgeleiden uit Noord- en Zuid-Holland.

Mij interesseert vooral de manier waarop die verbastering dan in zijn gang ging. Vaak is dat helemaal niet zo veel anders dan hoe we het nu zouden doen: arketet klinkt nog steeds wel als een plausibele manier om architect te zeggen, en commelecacie klinkt misschien nog wel beter dan communicatie. Allebei de voorbeelden vervangen klinkers door e; dat was waarschijnlijk al een 'toonloze' e (van het eind van mode) en dus werden onbeklemtoonde klinkers kennelijk makkelijk tot zo'n toonloze e in een Hollandse mond.

Maar er valt nog veel meer op. De voorliefde voor com bijvoorbeeld in verbasteringen als combouters, compabel, compy (in plaats van kabouters, kapabel, kopij) en andere woorden, en de afkeer van de combinatie pr die ertoe leidde dat de r maar ergens anders werd geplaatst: protocol werd pattecrol en president werd pirsedent. Het eerste wijst er (misschien) op dat er in die woorden een nasale klinker zat (ongeveer de a in het Franse woord France). Het tweede is een voorbeeld van een verandering die in het Standaardnederlands heeft geleid tot pers in plaats van (Engels) press of (Duits) Presse.

Maar wat toch vooral opvalt, is hoeveel van die rare woorden inmiddels verdwenen zijn, volkomen onbekend, ook onder dikdoeners, die inmiddels natuurlijk eerder het Engels verbasteren. Zo praat niemand meer:

Besoer Meseurs. Verrespedeer me dat ik soo pertinent ben, dat ik in je conspiratie inflecteeren kom. Ik ben de Asmedeur maar, of de Plinnepetaris; dat imbesteert weynigh waar voor u Sekresie my wil atmonteeren, als je me maar voor een rysenaavel man van qualitie attesteert, gelyk my elk meriteert.

Duur doen in taal is zo oud als de taal zelf. Maar het beklijft niet.

 

Marc van Oostendorp