Marc van Oostendorp gaat tijdens de Poëzieweek in op vorm en inhoud van vijf gedichten uit het afgelopen jaar. Vandaag als laatste: 'Die handen'
van Leo Vroman, uit zijn bundel Die vleugels.


Dit jaar wordt Leo Vroman 99, en hij publiceert nog de ene dikke dichtbundel na de andere. Vorig jaar verscheen Die vleugels: honderden pagina's met gedichten die hij de afgelopen jaren schreef, vol verbazing over dat hij zo oud wordt en dat de gedichten nog blijven stromen. Hij schrijft er bijna iedere dag nog wel een – de meeste gedichten in de bundel hebben een datum gekregen.

Ik denk dat je vrijwel ieder gedicht meteen zou herkennen, ook als het niet in deze bundel zou staan met de naam van de dichter erop, als het werk van Leo Vroman. Zijn gedichten zijn als een dagboek. Hij klinkt alsof hij tegen je praat, al doet hij dat toevallig op rijm. Zo klinkt een 96-jarige:

 

Die handen

Ik kan mijn handen niet meer herkennen,
ze zijn zoveel ouder dan ik ben.
Ik zal er toch aan moeten wennen
dat ik ze niet meer herken.

Als ik weer in mijn lab zou staan
waren ze vast meteen gewend
en als ik ze dan hun gang liet gaan
deden ze dadelijk een experiment
dat ik jaren geleden heb gedaan.

Ik neem ze maar mee naar bed.
Een mag het licht uitdraaien,
en kijk eens, daar gaan ze nog

bijna onopgelet:
even mijn liefste aaien.
Daarvoor bestaan ze nog.

27 november 2011

 

Net als veel andere gedichten die Vroman in november 2011 schreef, lijkt dit op een sonnet: dit zijn niet twee keer vier regels gevolgd door twee keer drie, maar dat is alleen omdat de tweede strofe een regel te lang is.

Je zou dat heel makkelijk kunnen repareren, door de regel dat ik jaren geleden heb gedaan weg te halen; het gedicht blijft zonder die regel ook nog vrijwel hetzelfde zeggen. Maar dat moet je juist níét doen, want het net-niet-volmaakte hoort erbij. De dichter maakt naar eigen zeggen 'elke drie dagen of nachten' een gedicht ('abnormaal veel'), hij heeft geen tijd om dat allemaal bij te vijlen: hij is ver in de negentig en loopt nog zo over van levens- en schrijflust dat de sonnetten overschuimen.

Je kunt volgens mij aan het gedicht precies zien hoe het is ontstaan. De ijzersterke eerste twee regels – die gaan nog eens het motto worden van een mooie roman – waren er vast het eerst. Ze bevatten de rest van het gedicht eigenlijk al helemaal. Gaandeweg wordt het gedicht vormelozer: nog rijmt op nog, met onopgelet wordt waarschijnlijk onopgemerkt bedoeld.

Niet ieder onvolmaakt gedicht is perfect. Je moet wel eerst al minstens 80 jaar gedichten hebben geschreven. Het effect daarvan is in dat geval dat je het gevoel hebt de dichter letterlijk op zijn handen te kijken: je ziet het gedicht onder je jonge ogen ontstaan, laat in de avond voordat je ze mee naar bed neemt waar ze Tineke, die inmiddels ook al 90 is, nog even aaien.