Door Marc van Oostendorp, opleidingsvoorzitter onderzoeksmaster Taalwetenschap, Leiden

Waar moet je zijn om taalwetenschap te studeren? Uit de vergelijkende lijsten die de afgelopen jaren zijn verschenen, blijkt telkens weer dat je als student in Nederland niet slecht af bent. Zo staan op de eind juni verschenen QS-lijst de opleidingen van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden bij de eerste vijftig, en ook de opleidingen van Utrecht, Groningen, de Vrije Universiteit en Nijmegen zitten bij de eerste honderdvijftig. De Universiteit van Amsterdam is daarbij de eerste universiteit uit een (niet-Engelstalig) Europees land op de lijst.

Ook in andere internationale ranglijsten, zoals die van de Times, doet Nederland het goed. Nederland is al decennia een internationale grootmacht op taalkundig gebied. Studenten komen ook steeds vaker uit de hele wereld hiernaartoe om zich te bekwamen in de taalwetenschap – vaak om daarna terug naar huis te gaan en de hier opgedane kennis toe te passen op de eigen taalsituatie.

Kanttekeningen

Hoe komt Nederland zo sterk? En wat is die ranking waard? Om met de eerste vraag te beginnen: in veel andere landen is de studie van taalwetenschap veel sterker verbonden met de eigen nationale taal. Een Franse taalkundige bestudeert vaak het Frans, en schrijft daarover in het Frans voor andere Franse taalkundigen. Daarbij was er in het verleden soms ook nog het verlangen om aan te tonen hoe voortreffelijk die eigen taal wel is. In Nederland bestaat al heel lang een grote belangstelling voor andere talen – de talen van de buren Frans, Duits en Engels, de talen van de voormalige koloniën zoals het Indonesisch, enzovoort. Dat geeft minder aanleiding tot zelfvoldaanheid en maakt de taalwetenschap ook interessanter voor de buitenwereld.

Je kunt overigens wel kanttekeningen plaatsen bij dit soort lijsten. Zo valt op dat de QS-lijst in de allerhoogste regionen gedomineerd wordt door universiteiten in Engelstalige landen. Die populariteit zou kunnen voortkomen uit het feit dat buitenlandse studenten – zeker voor een taalkundige opleiding – waarschijnlijk graag naar een Engelstalig land gaan. En de hoge plaats van Oxford is waarschijnlijk meer gebaseerd op de reputatie van de universiteit dan op die van de taalkundige opleiding – die bekend staat als nogal eenzijdig en vooral gericht op een wat meer bemiddeld publiek.

Dat Nederland zo hoog op de lijst staat, komt waarschijnlijk voor een deel doordat we een soort ereburger zijn van de Engelstalige wereld – bij mijn weten bieden alle genoemde Nederlandse universiteiten in ieder geval één masterprogramma in het Engels aan.

Tilburg

Ook de onderlinge ordening van de Nederlandse opleidingen moet je met een korreltje zout nemen. Op de QS-lijst bungelt Nijmegen ergens onderaan, maar in een onderzoek van het Nederlandse weekblad Elsevier vorig jaar kwam juist Nijmegen als beste uit de bus. Er werken toponderzoekers en de opleiding staat in Nederland goed bekend. Ik heb zelf (hoewel ik verantwoordelijk ben voor de Leidse onderzoeksmaster Taalwetenschap) ook weleens studenten naar Nijmegen gestuurd omdat je bepaalde onderwerpen beter daar kunt studeren. Dat lijkt mij eigenlijk het belangrijkste verschil tussen de Nederlandse universiteiten: welke deeldisciplines er gegeven worden, en niet wat de kwaliteit van het gebodene is. 

Het allerwonderlijkst is, tot slot, het feit dat Maastricht wel in de lijst staat en Tilburg niet. In Maastricht werkt welgeteld één taalwetenschapper voor één dag in de week, en die geeft géén college, en dit pas sinds mei van dit jaar. Het is volkomen onduidelijk hoe dit zou kunnen leiden tot een dermate uitmuntende opleiding dat hij in de top-200 genoemd moet worden, terwijl Tilburg, waar een aantal uitstekende docenten en onderzoekers werken, er helemaal niet in voorkomt. 

Het laat allemaal zien dat je dit soort beoordelingen met behoorlijk wat korrels zout moet nemen. Al kun je natuurlijk ook wel even blij zijn dat we het Europees Kampioenschap Taalwetenschap hebben binnengehaald.