Marc van Oostendorp gaat tijdens de Poëzieweek in op vorm en inhoud van vijf gedichten uit het afgelopen jaar. Vandaag 'De duinen door' van Anneke Brassinga, uit haar bundel Het wederkerige.

Fotograaf: Serge Ligtenberg


Normale taal, daar is makkelijker aan te komen dan aan water. Voor dat laatste moet je nog altijd naar de kraan lopen, maar voor het eerste volstaat het om je oren open te zetten, of als er echt helemaal niemand in de buurt is je eigen mond. Woord na woord na woord na woord komt zelfs ongevraagd je hoofd binnen en zelden is het ene woord een verrassing na het volgende.

Er zijn duizend redenen om dichters te koesteren: ze zeggen dingen waar wij nog nooit aan hebben gedacht, of die wij nooit zouden durven zeggen, of willen zeggen, of mogen zeggen. Ze zijn gekker dan wij of wijzer. Maar ze zeggen ze ook anders – mooier soms, maar in ieder geval altijd anders. Wie een dag woord na woord na woord voorbij heeft horen en zien komen, en zijn oren en zijn ogen wil schoonspoelen, moet een dichter lezen.

Anneke Brassinga, bijvoorbeeld, de kersverse winnares van de P.C. Hooftprijs, die in haar bundel Het wederkerige uit 2014 gedichten publiceert als:

De duinen door

Waar hoogstaand lentezonlicht wordt gekelderd
naar het van droogte knisperende wortelbroed
langs kronk'lend asfaltlint, raast beschonken
rijwiel over messcherp priemende spoortakken
die satanisch springen vanuit huivend kruinendak –
in het voorbijgaan giechelvonkt hun hoon: lek
is de liefdesband en nimmermeer te plakken.

Dit is een gedicht dat op en neer gaat als een jaknikker. Het begint bij het hoge zonlicht, keldert dan meteen naar de wortels op de grond, en de takken die daar liggen, maar die wel weer van omhoog gekomen zijn, uit de kruinen. En dan eindigt het gedicht plat als een lekke band, die ook bovendien nooit meer omhoog zal komen.

En zo schiet het ook in de taal heen en weer tussen allerlei tijden en registers. Heel veel woorden lijken genomen uit een heel klassiek soort dichterschap, sommige regels zouden zo kunnen komen uit het oeuvre van Markies de Canteclaer, de dichtende edele haan in de verhalen over Olivier B. Bommel, maar daartussendoor knarsen dan ineens moderne woorden: het asfalt, natuurlijk, maar ook de platte lekke band die 'nimmermeer' te plakken is.

En ook de vorm is een en al onrust. De eerste regel klinkt heel regelmatig paDAM-paDAM-paDAM-paDAM-paDAMpa, de klassiekste vorm waarin de meeste regels van Kloos en Perk geschreven zijn, en ook de laatste regel komt (na het eerste woord) weer precies in dat ritme terug, maar de regels tussendoor zijn allemaal net iets te lang of te kort.

Het is een gedicht dat kortom, bijna vroeger geschreven had kunnen zijn, maar toch net niet en dat precies daarom, door dat rare gebruik van taal en vormen, precies ook het nostalgische gevoel oproept dat het beschrijft. Ooit konden de dichters nog onbekommerd over 'hoogstaand lentezonlicht' schrijven zonder het te kelderen. Ooit hadden wij een liefdesband die te verheven was om aan plakken te hoeven denken.


Dit stuk staat ook op de website van Neder-L.