De Nederlandse literatuur kent vele lofzangen op de taal in het algemeen - zoals deze van dichter-dominee Eliza Laurillard (1830-1908) - en op het Nederlands in het bijzonder - zoals deze van T.J. Kerkhoven (1789-1857) - maar voorzover bekend maar één ode aan een lidwoord.

 

Ode op ‘de’

O! ‘De’, gij woord, dat zo alleen
Betekent niets, wat zeg ik, neen
Alleen betekent ‘De’ het al
Een veelomvattend algetal.
Dat woordje met een woord erachter
Maakt dit soms sterk en somtijds zachter.
Maar zonder ‘De’ kunnen wij niet
Waar ‘De’ niet is, daar is geen lied
En zonder ‘De’ ook niet deez ode
En daarom heil gij ‘De’, o, o, ‘De’.

 

Het is een gedicht van Jopie Breemer (1875-1957), “een van de innemendste figuren uit de Nederlandse letteren”, aldus Gerrit Komrij en Tysger Boelens in hun Perplexicon, wiens werk zich kenmerkt door “kinder­lijke onbevangenheid, hogere meligheid en zangerige onzin”. Hij genoot een zekere faam in zijn tijd: “Op zijn Amsterdamse vrijgezellenkamer bij het Leidseplein (het Jopie-hol) hield hij rond 1910 ‘ontboezemingsavonden’: een soort getikte theevisites à la [Lewis] Carroll, ‘vol genot van thee, roddelarijtjes, imitaties, zenuw-hikken, wijsgerige, zio­nistische en andere gesprekken’. Daar droeg hij ‘ernstig mimerend’ de eigenaardigste teksten voor, verzameld in De ontboezemingsbundel van Jopie Breemer (1913).”

Ode op ‘de’ en andere gedichten van Breemer worden hier (ernstig mimerend) voorgedragen door Erik Bindervoet.

Raymond Noë