In de wielertaal is een etappe een deeltraject van het totale parcours, en spreekt men wel van 'stapelen' als er bij een valpartij veel fietsen (en renners) boven op elkaar komen te liggen. Er blijkt een onverwacht etymologisch verband te zijn tussen deze twee woorden.

Het woord etappe is rond 1800 door het Nederlands aan het Franse étape ontleend. Aanvankelijk was het in beide talen een militaire term in de betekenis ‘pleisterplaats, proviandmagazijn voor doortrekkende soldaten’. Hieruit ontwikkelde zich de betekenis ‘afstand tussen twee rustpunten’. Door de opkomst van het wielrennen raakte de krijgshaftige vakterm in een sportieve betekenis algemeen verbreid.

Het Frans heeft het woord étape in de Middeleeuwen juist ontleend aan het Nederlands. Oudere Franse vormen zijn estappe en estaple. De betekenis is hier nog ‘handelsdepot’. Deze gaat terug op het Middelnederlandse stapel ‘stapelplaats, verkoopplaats van goederen’. Door het stapelrecht – het recht van een plaats om koopwaren te verhandelen voordat ze doorgevoerd werden – werd dit woord veel gebezigd. Het ervan afgeleide werkwoord stapelen was eveneens al in de Middeleeuwen in onze taal in omloop, zij het nog niet als wielerterm.

 

Hans Beelen en Nicoline van der Sijs, in de Onze Taal Taalkalender 2016. De Taalkalender 2017 is nu al te bestellen in de webwinkel van Onze Taal.