De essentie van taal

De gedachten die Chomsky in de loop van zijn leven over taal ontwikkelde, hebben hem beroemd gemaakt – terwijl hij zelf eigenlijk zijn werk als (links) politiek commentator altijd veel belangrijker gevonden heeft. Al meer dan vijftig jaar torent zijn gestalte boven de taalwetenschap uit. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, (of: onmogelijk, zo niet moeilijk) om een taalkundige te vinden die geen mening over Chomsky’s theorieën heeft, en die mening is bijna altijd nogal uitgesproken. Er zijn taalkundigen die hem een oplichter vinden en er zijn anderen die hem het grootste genie vinden die het vak ooit heeft voorgebracht.

Die weerstand is wel te verklaren. Hij wordt minstens voor een deel veroorzaakt door Chomsky’s nogal opmerkelijke woordgebruik.
Zijn interesse gaat uit naar de zinsbouw, en daarbij dan de laatste decennia vooral naar de operatie Voeg, die zoals we hebben gezien nogal simpel is, en waarvan hij aanneemt dat deze typisch is voor de menselijke soort. Bovendien is hij vooral geïnteresseerd in taal als een instrument van het denken, en niet bijvoorbeeld als communicatiemiddel, en is hij geïnteresseerd in wat talen gemeenschappelijk hebben met elkaar en niet zozeer in wat ze van elkaar doet onderscheiden.

Dat zouden veel mensen misschien allemaal nog wel accepteren (men kan nu eenmaal niet alles tegelijk bestuderen) wanneer Chomsky niet ook nog eens zei dat de operatie Voeg de menselijke taal is. Niet een aspect van taal, eventueel het belangrijkste of het interesantste, maar het enige wat er voor hem toe doet: het definiërende aspect van menselijke taal.

Andere taalkundigen worden dan boos omdat zij denken dat, pakweg, communicatie nu juist reuze belangrijk is voor het goed begrijpen van zinsvorming. Van de weeromstuit hebben mensen de neiging dan weer te zeggen dat taal alleen in communicatie wordt gebruikt, dat je van de structuur van zinnen niets kunt leren over het menselijk brein. Taal gebruiken gaat alleen maar over rekening houden met de ander en in het geheel niet over denken in je eigen hoofd.

Misschien zijn de verschillende standpunten in die discussie een beetje overtrokken. Onmiskenbaar wordt iedere zin ergens onder een menselijk schedeldak geboren – en moet iedere zin dus iets weerspiegelen van hoe de menselijke geest werkt. Bovendien is ook duidelijk dat het tot nu toe nooit gelukt is om ook maar enig dier een zin te laten maken die in de buurt komt van wat een vierjarig kind dag in dag uit de wereld in slingert. Er moet dus iets bijzonders zijn aan het menselijk brein. Chomsky’s redenering dat dit zoiets moet zijn als Voeg, omdat volgorde er voor heel veel verschijnselen niet toe lijkt te doen, en structuur wel, lijkt me bijzonder ingenieus. Natuurlijk kun je erover discussiëren of het juist is – uiteindelijk komt er vast iemand met iets beters, misschien heeft iemand nu al een beter idee –, maar het lijkt me hoe dan ook de moeite van het bestuderen waard.


Marc van Oostendorp