In zijn nieuwe boek Waaitaal schrijft Thomas Verbogt (een van de genomineerden voor de Libris Literatuur Prijs 2016) met lichte verwondering over woorden van deze tijd, zoals voorjaarshaar, doucheplassen en ontspullen. En over flexitariër en vleesvervanger - zie hieronder. Waaitaal is te koop in de webwinkel van Onze Taal.

Vlees

In een reclamespotje vertelt een supermarktketen ons dat we niet iedere dag vlees hoeven te eten. Dan ben je dus flexitariër. Toen ik dat voor het eerst hoorde, vroeg ik me af of ik het nodig vond dat er voor alles een woord is. Ja, liever wel, maar het moet dan wel een woord zijn dat je graag bij de hand hebt. Ik eet niet iedere dag vlees, wil dat echt niet, maar nooit dacht ik gewichtig: ik ben een flexitariër! Ik vind het vooral een woordspeling en die mijd ik. Natuurlijk, ik weet ook wel dat het goed bedoeld is en noodzakelijk dat we beter met voedsel omgaan, maar er hangt iets omheen wat me niet bevalt. Ik denk erover na en kom maar niet te weten wat mijn bezwaar is.

Als je in een winkel van de supermarktketen vlees of kip koopt, krijg je een vleesvervanger gratis. Zelf raak ik niet meteen door het dolle heen wanneer iets gratis is. Meestal voel ik zelfs enige argwaan, terwijl ik weet dat dat ook niet goed is. Misschien komt het alleen door het woord ‘vleesvervanger’. Ja, alsof er sprake is van een vleesverslaving. Dat is het! Vlees krijgt veel te veel gewicht in deze kwestie. Zeg een paar keer achter elkaar ‘vlees’ en je hoeft al niet meer.

Vleesvervanger als aanduiding van een beroep vind ik weer wel aantrekkelijk. ‘Wat doet je vader?’ ‘O, hij is vleesvervanger.’ Ik zie dan een kordate man voor me, met een grote koffer waarin allerlei geinig materiaal zit. Als hij ergens vlees ziet, verwijdert hij dat onmiddellijk. Hij legt er iets uit de koffer voor in de plaats. Altijd een verrassing.

Thomas Verbogt