Waar komt de uitdrukking bekaf zijn vandaan?
 

Wie bekaf is (bek-af mag ook) is doodmoe, uitgeput.

Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) vermeldt dat bekaf is gevormd van het zelfstandig naamwoord bek (in de betekenis 'mond van een paard') en het bijwoord af. Al in de zeventiende eeuw bestonden uitdrukkingen als een paard den bek afrijden, waarmee werd bedoeld dat het paard veel te vermoeid werd gemaakt (werd afgejakkerd).

F.A. Stoett vermeldt bij een paard den bek afrijden: "een paard zoo afrijden, dat het over zijn asem [= helemaal buiten adem] is en van het hijgen niet meer voort kan, dus afmennen; hieruit ontstond: 'een paard bekaf rijden', waarin bekaf den toestand aanduidt, waarin het paard door overmatige vermoeienis geraakt; vandaar wederom kreeg bekaf de betekenis van 'uitgeput door te hard loopen', 'doodmoe'".

Bekaf wordt al zeker twee eeuwen ook gebruikt in relatie tot mensen. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) vermeldt het volgende citaat uit Lotgevallen van Balthazar Knoopius van Johannes Immerzeel uit 1813: "Dat de kerels (...) mij (...) zoo onmanierlijk hard hadden doen loopen, dat alles zwirrelde en zwarrelde voor mijn gezigt en ik bek af was."