Waar komt de zegswijze een buitenbeentje zijn vandaan?

Een buitenbeentje is iemand die in zijn uiterlijk, gedrag of denkbeelden afwijkt van zijn omgeving. Vroeger betekende het 'bastaard, onecht kind'.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) verwijst bij buitenbeentje naar buitenbeens: "buiten de beenen (...); te weten als bepaling bij werkwoorden van beweging: met buitenwaarts overhellend bovenlijf, zoo dat het zwaartepunt van het lichaam als 't ware 'buiten de beenen' valt, derhalve: 'schuins, scheef, niet rechtop of rechtuit'." Het pootje-over gaan in de bocht bij het schaatsen is een voorbeeld van een 'buitenbeense' manoeuvre. Buitenbeens werd volgens het WNT ook figuurlijk gebruikt met betrekking tot "den zedelijken levenswandel". Van een in overspel verwekt kind kon daardoor ook worden gezegd dat het "buiten(s)beens geraapt, gemaakt enz." was: het resultaat dus van 'schuinsmarcheerderij' van (meestal) de vader.

F.A. Stoett ziet in zijn Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden een verband met de verouderde zegswijze binnens beens spelen, die betekende 'met een vrouw gemeenschap hebben'. Stoett geeft onder meer het citaat: "Houdt iemand zich niet 'binnen de beenen' van zijn eigen vrouw, slaat hij over het beenken [een verouderde uitdrukking die 'echtbreuk plegen' betekende], dan is hij een overspeler."

De betekenisontwikkeling van buitenbeentje verliep van 'onecht kind' via 'niet in de eigen kring (vaak de familie) passend persoon' naar 'buitenstaander' en 'zonderling'.