Waar komt het gezegde een ongelikte beer vandaan?

Een ongelikte beer wordt meestal gebruikt om een onbeschofte, ongemanierde en/of onbehouwen man mee aan te duiden. Als iemand 'een beer' wordt genoemd, kan het om een beer van een vent gaan (een groot, sterk persoon), maar ook om iemand die onbeschoft, lomp, ongemanierd is. Ongelikte beer is een versterking van dat laatste.

Dit gezegde gaat terug op het Romeinse volksgeloof. Men geloofde ooit dat een beer nog geen echte 'vorm' had als hij werd geboren; zijn moeder zorgde er door haar jong te likken voor dat de pasgeborene er als een echt beertje uit kwam te zien. Zoals F.A. Stoett het zegt: "Deze uitdrukking heeft haar ontstaan te danken aan het oude, reeds bij de Romeinen bestaande, volksgeloof, dat de jonge ontijdig geboren beertjes hun fatsoen krijgen, doordat de moeder ze gestadig likt." Stoett verwijst naar de Metamorfosen van de Romeinse dichter Ovidius. Een (grove) vertaling van de desbetreffende passage (Metamorfosen 15, 379-381): 'De jongen van de beer zien eruit als een vormeloze bal als ze geboren worden. Ze hebben geen eigen vorm; hun moeder geeft ze hun vorm door ze te likken.' Zo kon de gedachte ontstaan dat beren die niet in vorm gelikt waren door hun moeder, ongelikte beren dus, opgroeiden tot onbeschaafde wezens.

Stoett vermeldt verder over deze mythe: "De overtuiging dat berejongen in de vorm moesten worden gelikt door de moeder is onjuist, maar niet volkomen ongegrond. Berewelpen worden blind en naakt geboren, verborgen voor het oog van de buitenwereld. De moeder likt ze voortdurend schoon. Na de geboorte zijn de welpen nog gehuld in het chorion of vaatvlies, het stevige buitenste vlies om het embryo, dat door de moeder kapotgebeten wordt." De Encarta Winkler Prins maakt geen opmerking over dat vaatvlies, maar vermeldt wel: "De jongen zijn aanvankelijk naar verhouding zeer klein en hulpeloos en hebben lang de moederlijke zorg nodig."