Waar komt de zegswijze ergens voor opdraaien vandaan?

Als je ergens voor opdraait, betekent het dat je ten onrechte ergens verantwoordelijk voor wordt gesteld en moet zorgen dat het weer goed komt. Een veelgehoorde uitroep is 'En wie kon er weer voor opdraaien? Ík natuurlijk!' – dit kan betekenen dat de ik van alles moest doen om iets te herstellen of op te ruimen of de boel moest sussen of een uitbrander moest incasseren, terwijl hij of zij het probleem, de troep, de ruzie, of wat dan ook helemaal niet had veroorzaakt.

De uitdrukking komt uit de scheepvaartwereld. Als eerste betekenis bij opdraaien geeft Van Dale (2005) nog altijd 'gestuit worden bij het voortgaan'. Als een schip voor het anker opdraait, wordt het door het uitgeworpen anker in zijn vaart tegengehouden. Een schip kan ook voor een ondiepte opdraaien (zoals een zandbank); dan wordt het daardoor plotseling in zijn vaart gestuit. Tegenwoordig betekent opdraaien in de scheepvaarttaal net iets anders, zoals blijkt uit onder meer het boekje Zeemanstaal spreken we allemaal van Ton van Schoonhoven: "met de stroom meevarend 180 graden ronddraaien met de kop tegen de stroom in. Om de vaart uit het schip te halen, bijvoorbeeld om het anker te kunnen laten vallen. Je kunt ook tegen de wind in opdraaien."

In figuurlijke zin – toegepast op mensen – kreeg ergens voor opdraaien eerst de betekenis 'iets niet voor elkaar krijgen', aldus onder meer F.A. Stoett. Later ontstond de betekenis 'de onaangename gevolgen van iets moeten ondergaan', en vandaar: 'ergens voor moeten boeten waar in feite een ander verantwoordelijk voor is'.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt bij ergens voor opdraaien: "voor iets moeten boeten, de nadeelige of onaangename gevolgen er van moeten dragen. Evenzoo: Een ander ergens voor laten opdraaien, iemand anders de moeilijkheid op den hals schuiven, de verantwoordelijkheid overlaten, hem het werk laten doen."