Waar komt de uitdrukking het afleggen vandaan?

Het afleggen betekent dat je het moet opgeven, vaak omdat blijkt dat je de mindere bent. Je kunt bijvoorbeeld niet tegen iemand op in een sportwedstrijd of in een discussie. De uitdrukking komt vaak voor in combinatie met het werkwoord moeten en het voorzetsel tegen: het tegen iemand moeten afleggen. Niet alleen personen moeten het soms tegen elkaar afleggen, maar ook bij zaken kan dat het geval zijn, zoals in 'De kijkcijfers waren niet slecht, maar het programma moest het toch afleggen tegen Studio Sport.'

Het afleggen was een verzachtende (eufemistische), enigszins plechtige uitdrukking voor 'sterven'. Van daaruit ontstond de betekenis 'het niet halen, er niet bestand tegen zijn, het moeten opgeven'. Het is volgens F.A. Stoett eigenlijk het leven afleggen (Latijn: ponere vitam; Engels: to lay down one's life), waarbij afleggen zoveel betekent als 'zich ontdoen van, verliezen'. De bijgedachte was dat het leven gepaard gaat met lijden; de dood maakt daar een einde aan. In een woordenboek uit 1781 wordt bij het afleggen gesproken van het afleggen van "het leven, en daar mede de lasten en moeyelykheden van dit traanendal".

In zijn Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen wijst K. ter Laan erop dat het afleggen voorkomt in het bijbelboek Johannes; in de Statenvertaling (1637) wordt hier al gesproken van het leven afleggen. Misschien is dit mede van invloed geweest op het ontstaan van de uitdrukking. In de NBG-vertaling uit 1951 staat (Johannes 10:17-18):

Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.

Van Dale (2005) vermeldt het leven afleggen, het lichaam afleggen en het verouderde de doodschuld afleggen; al deze uitdrukkingen betekenen 'sterven'. Het afleggen kan volgens Van Dale naast 'sterven' en 'het moeten opgeven' ook 'stomdronken worden' betekenen.