Waar komt de zegswijze het te gortig maken vandaan?

Wie het te gortig maakt, gaat te ver; hij maakt het te bont.

Gortig sloeg volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) op varkens die de cysticercosis hadden. De dieren waren dan besmet met de larven van lintwormen. Deze larven nestelen zich uiteindelijk ergens in de spier, en ontwikkelen zich tot een zogenoemde cysticercus, een blaasje met daarin het voorstadium van een nieuwe lintworm.

Het woordenboek van Van Dale (2005) vermeldt bij gortig dat het oorspronkelijk gebruikt werd voor varkens die lijden aan een andere parasiet: trichinen. De larven daarvan kapselen zich in in gortachtige bolletjes in het spierweefsel. Trichineus varkensvlees is volgens Van Dale 'vlees dat trichinen bevat'. Ook het Etymologisch woordenboek van het Nederlands spreekt van trichinosis en "gortachtige balletjes in het spierweefsel van het zieke dier". Gortig is vermoedelijk afgeleid van gort ('gepelde gerst').

Gortig kreeg later in het algemeen de betekenis 'verontreinigd, vuil, smerig' en weer later de overdrachtelijke betekenis 'onbehoorlijk, grof, te ver gaand'. Zo kon het (al) (te) gortig maken ontstaan, een uitdrukking die volgens F.A. Stoett al in de achttiende eeuw werd gebruikt.