Waar komt de zegswijze iemand tuk hebben vandaan?

Iemand tuk hebben betekent 'iemand beetnemen', en ook wel 'iemand met de mond vol tanden laten staan'.

Tuk is volgens het Groot uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) een zelfstandig naamwoord dat slaat op het korte rukje dat een vis aan de dobber geeft als een visser beet heeft. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt het volgende citaat van P.H.A.J. Strick van Linschoten uit 1808: "Bespeurt hij dan een' tuk – Flap! een baars met éénen ruk." Van 'beet hebben bij het vissen' ontwikkelde de betekenis van tuk hebben zich dus tot '(iemand) beetnemen'.

F.A. Stoett noemt iemand tuk hebben in zijn uitleg van tuk zijn op ('dol op iets zijn, begerig naar iets zijn'). In beide uitdrukkingen gaat tuk (aanvankelijk een zelfstandig naamwoord met de betekenissen 'ruk', 'trek, begeerte', 'zucht, neiging') uiteindelijk terug op het werkwoord tucken ('naar zich toe trekken, rukken'). Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands merkt nog op dat de betekenis van het Middelnederlandse tuck ('begeerte') vergelijkbaar is met die van trek ('begeerte, verlangen').

Iemand tuk hebben is nog niet zo oud. Jac. van Ginneken noemt de uitdrukking in zijn Handboek der Nederlandsche Taal in het hoofdstuk "Huzarentermen te Tilburg in gebruik 1913-1914" – volgens hem hebben we de uitdrukking te danken aan de huzaren. In 1913 werd er een regiment huzaren in de Kromhoutkazerne in Tilburg gevestigd; ze vertrokken weer tijdens de algehele mobilisatie van 1914.