Wat betekent iets aan de kaak stellen en waar komt deze uitdrukking vandaan?

Als je iets aan de kaak stelt, maak je voor iedereen duidelijk dat je iets verkeerd of schandelijk vindt (zoals in misstanden aan de kaak stellen). Ook personen kunnen aan de kaak worden gesteld. Dat betekent vaak dat ze in het openbaar voor gek worden gezet.

De uitdrukking was oorspronkelijk iets anders: iemand op de kaak stellen. De kaak was een verhoging, platform of schavot. Misdadigers werden daarop gezet om ze voor het oog van iedereen te straffen of om ze door het publiek te laten bespotten.

De precieze herkomst van kaak is niet duidelijk, maar al in het Middelnederlands werd dit woord gebruikt in de betekenis ‘schavot, verhoogde stellage waarop misdadigers werden gestraft’. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands vermoedt dat kaak in de betekenis ‘steiger, stellage’ al langer voorkwam. Later kreeg het in op de kaak stellen de specifieke betekenis ‘schavot waarop misdadigers werden tentoongesteld en gestraft’. De verhoging waarop de misdadigers stonden, werd in latere eeuwen vervangen door een paal of verhoging tegen de wand van het stadhuis. De benaming kaak bleef in gebruik en kreeg de betekenis ‘schandpaal’ erbij. De uitdrukking veranderde daardoor van op de kaak stellen in aan de kaak stellen.

Het historische Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt bij kaak onder meer:

  • De verhevenheid waarop, voorheen, boosdoeners tot straf werden te pronk gesteld, of gegeeseld, gebrandmerkt, verminkt enz.: in hare jongste gedaante, door afbeeldingen of beschrijvingen, bekend, en trouwens op vele plaatsen nog aanwezig, als eene, soms vrijstaande, doch meestal tegen den muur van een gebouw (het stadhuis, raad- en rechthuis) aangebrachte steenen zuil van meerdere of mindere hoogte; soms ook nog in later tijd: een houten stelling, een schavot (...).
  • Afgehouwen of afgesneden lichaamsdeelen van misdadigers, verboden geschriften enz., werden aan de kaak gesteld of gehecht.
  • Voor sommige misdrijven werd men met een oor aan de kaak gespijkerd, of wel een oor of de ooren werden afgesneden en aan de kaak gehecht; van zoo iemand zeide men, ‘dat zijne (hare) ooren aan de kaak stonden’, of ‘dat hij (zij) zijne (hare) ooren aan de kaak gelaten had’ (...). Vandaar, omgekeerd, de zegswijze zijne ooren mogen schudden dat ze klappen (...); nog met de oortjes kunnen klappen (...), zuiver, onbesproken zijn.
  • Iemand —, iets aan of op de kaak stellen, zetten, een persoon, eene zaak voor ieder in zijne (hare) verkeerdheid, verachtelijkheid ten toon stellen; aan de algemeene bespotting of verachting prijs geven; belachelijk, bespottelijk, te schande maken; bij uitbreiding openlijk bestraffen, gispen, hekelen.
  • Aan de kaak staan, openlijk in zijne verkeerdheid ten toon gesteld worden, aan de openlijke minachting of verachting prijs gegeven zijn.