Wat is goed: iets fris of iets fris’ (dus met een apostrof na fris)?

Iets fris, zonder apostrof na fris, is juist. Het is dus bijvoorbeeld: ‘Ik neem iets fris, want ik moet nog rijden.’

Na woorden zoals iets, weinig, wat, allerlei en genoeg krijgen bijvoeglijke naamwoorden een s aan het eind: iets lekkers, wat vrolijks, weinig leuks. Als het bijvoeglijk naamwoord zelf al op een s of een andere sisklank eindigt, vervalt de extra s. Nederlandse woorden eindigen namelijk nooit op -ss (alleen leenwoorden als stress) of -ischs. Er hoeft dus ook geen apostrof te worden gebruikt, want daarmee doe je net alsof er eigenlijk toch een extra s staat.

Een apostrof na de s of een s-klank komt in het Nederlands wel voor bij bezitsvormen: Max’ zusje, Loes’ boek, Mulisch’ romans, Maurice’ weblog, iemand anders’ huis. Nu geeft de apostrof aan dat de bezits-s is weggelaten en daarvoor maken de spellingregels een uitzondering.

Meer voorbeelden die vergelijkbaar zijn met iets fris:

  • Het oude huisje had iets mysterieus.
  • Haar glimlach had iets omineus.
  • De opmerkingen van mijn oma hebben altijd iets bars.
  • Ik eet opgewarmde restjes heus wel op, maar ik heb liever iets vers.
  • Ze werden aangekondigd als acrobaten, maar ik zag er weinig acrobatisch in.
  • Ik zag daarstraks iets heel curieus.
  • De Delftse studenten bedachten iets ingenieus.
  • Zij reageert altijd met iets ironisch als haar een verwijt wordt gemaakt.
  • Ik zie helemaal niets sarcastisch in die column van Sylvia.

Als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op een y, a, u of o is een apostrof nodig, omdat er anders verwarring over de uitspraak kan ontstaan. Bijvoorbeeld: iets bluesy's, iets sexy's, iets trendy's, iets blanco's, iets cru's en iets extra's.