In een negentiende-eeuwse brief kwam ik het woord item tegen. Is dit woord echt al zo oud?

Ja, het zelfstandig naamwoord item bestond zelfs al in het Middelnederlands; het is een Latijns leenwoord, dat werd uitgesproken als [ietem]. Oorspronkelijk betekende het 'post op een rekening', later kreeg het de algemenere betekenis 'onderwerp (dat aan bod komt)'. Zo schreef Constantijn Huygens in de zeventiende eeuw: "Is 't niet genoeg gewenscht, ick hebb noch eenen item". Zijn tijdgenoot P.C. Hooft maakte er zelfs een verkleinwoord van: "Een reeckeningh (...) van drie vier vel pampier, (...) Met itempje, by itempje".

Onder Engelse invloed is item opnieuw populair geworden, maar nu uitgesproken als [aitem]. Deze uitspraak is tegenwoordig gebruikelijker dan het oudere [ietem]. Desondanks geven ook sommige recente naslagwerken alleen [ietem] als juiste uitspraak, zoals het Uitspraakwoordenboek (2000).

Het woord item is van oorsprong een bijwoord met de betekenis 'net zo, eveneens'. (Deze betekenis heeft item nog steeds, maar daarvoor wordt meestal de variant idem gebruikt.) In ouder Nederlands kon item gebruikt worden als inleidend woord bij elk van de punten en artikelen in ambtelijke stukken, of als inleidend woord bij een nieuwe post op een rekening. Vanuit deze bijwoordelijke betekenissen ontwikkelde zich het onzijdige zelfstandig naamwoord zoals we dat nu kennen.