Wat betekent spatsies en waar komt dit woord vandaan? 

Spatsies, ook wel spatjes, betekent ‘kapsones, praatjes, drukte, een grote mond’. Je kunt spatsies/spatjes maken, spatsies/spatjes hebben en spatsies/spatjes krijgen. In ouder Nederlands kwam ook de variant spats maken/hebben voor.

Het woord spatsies of spatjes komt van het Duitse woord Spaß/Spass in de betekenis ‘grap, gekheid, plezier’. Het is eerst in zwang geraakt in het Bargoens, de vroegere geheimtaal van dieven, en van daaruit is het meer tot het algemene Nederlands doorgedrongen, hoewel het altijd informeel is gebleven.

Volgens Marc De Costers Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans (2002) is spatsies maken soldatentaal. Hij vermeldt de uitdrukking “Spatjes? Dan moet je ze zelf afvegen.”

Het woord doet een beetje denken aan strapatsen, maar dat betekent niet helemaal hetzelfde: strapatsen zijn ‘vreemde streken, buitensporigheden’ – zie verder deze pagina.