Wie naar de kapper geweest is, krijgt weleens de vraag: ‘Ben je van de trap gevallen?’
Waar komt dat vandaan? En hoe oud is die uitdrukking eigenlijk?

‘Ben je van de trap gevallen?’ wordt gezegd tegen iemand die duidelijk net naar de kapper is geweest. Vooral als het kapsel nogal kort uitpakt, kun je deze clichévraag te horen krijgen.

De uitdrukking van de trap(pen) gevallen zijn wordt al genoemd in het spreekwoordenboek van Harrebomée uit 1861: “Men zegt dit van iemand, wiens haar geknipt is.” Volgens de spreekwoordendeskundige Stoett (1902) is ‘Hij is van de trap gevallen’ een verkorting van ‘Hij is van de trap gevallen en heeft zijn haar gebroken.’ Dit is volgens hem tevens de verklaring van deze uitdrukking, die eigenlijk meer een grapje is: je bent zogenaamd ‘gewond’ aan je haar.

Andere betekenissen

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) vermeldt ‘Hij is van de trap(pen) gevallen, gerold’ ook in deze betekenis. Maar volgens het WNT kon van de trappen gevallen zijn ook een heel andere betekenis hebben, namelijk ‘abortus gepleegd hebben’.

Verder vermeldt de Dikke Van Dale (2015) bij van de trappen rollen/vallen de figuurlijke betekenis ‘de huwelijksafkondiging krijgen’. Harrebomée noemt dit ook: “Zij zijn van de trappen gerold. Dat is in Zeeland: hunne huwelijksgeboden zijn afgekondigd.” Volgens het WNT, dat dit ook kent, gaat het hier om “van de trappen (van den preekstoel) rollen (...), ‘de huwelijksafkondiging krijgen’. (...) Door klokgeklep wordt der gemeente bekend gemaakt, dat er eene huwelijksafkondiging plaats hebben zal … Hier (in Sluis) … zegt men, dat zij van de trappen rollen, en niet zelden vraagt men elkander, wanneer men des Zondags het kleppen hoort: wie rolt er nu weêr van de trappen?”

Het WNT vervolgt met de mededeling dat in sommige streken van de trappen rollen weer iets anders betekent: ‘alleen een burgerlijk, geen kerkelijk huwelijk aangaan’.