Waar komt de uitdrukking vurige kolen op iemands hoofd stapelen vandaan en wat wordt ermee bedoeld?

Met vurige kolen op iemands hoofd stapelen wordt bedoeld dat je iemand die iets verkeerds of slechts heeft gedaan niet straft, maar juist heel vriendelijk voor hem bent. Bijvoorbeeld: 'De docent wist zeker dat de leerlinge het werkstuk helemaal had gekopieerd, maar hij stapelde wat vurige kolen op haar hoofd door het werkstuk eerst de hemel in te prijzen.'

De gedachte achter deze uitdrukking is dat als iemand echt gloeiende kolen op zijn hoofd zou krijgen, hij die onmiddellijk van zijn hoofd zou schudden. De onterechte lof of vriendelijkheid moet ook zo werken. Degene die onverdiend zo vriendelijk wordt behandeld, moet zich namelijk zó schuldig gaan voelen dat hij toegeeft dat hij fout zat, om zo zijn schuldgevoel te verminderen. Om het voorbeeld van hierboven af te maken: 'De leerlinge werd knalrood bij alle lof en gaf algauw toe dat ze het hele werkstuk had gekopieerd.'

F.A. Stoett citeert uit het boek van C.F. Zeeman (Nederlandsche Spreekwoorden aan den Bijbel ontleend, 1877), die de uitdrukking als volgt verklaart: "door een edelmoedig betoon van barmhartigheid zijnen vijand van schaamte en leedwezen doen gloeien". Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt verschillende varianten: vurige kolen of kolen vuurs op iemands hoofd hoopen [= stapelen], verzamelen, werpen

De uitdrukking is ontleend aan de Bijbel. In Spreuken 25: 21-22 staat: "Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten, / als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. / Dan stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd, / en de HEER zal je belonen" (Nieuwe Bijbelvertaling). In de Statenvertaling (1637) stond de volgende toelichting bij deze passage: "Ghy sult hem daer toe dryven, dat hy de vyantschap, die hy tegens u heeft, haest van hem werpe; gelijck yemant die gloeyende kolen op 't hooft gelecht souden werden, de selve terstont soude afschudden. Ofte, ghy sult sijn herte vermorwen, ende gedweech maken, dat hy van sijn ongelijck overtuycht sal sijn, gelijck de Smeden het yser met gloeyende kolen vermorwen."