Waar komt 'Wat een poespas!' vandaan?

'Wat een poespas!' betekent 'wat een (onnodig ingewikkeld) gedoe', 'wat een rare vertoning', 'wat een drukte om niets' of 'wat worden er veel woorden gebruikt voor een eenvoudige zaak'. Poespas wordt dus gebruikt als er volgens de spreker sprake is 'onnodige handelingen', 'gedoe om niets'.

Oorspronkelijk was poespas een aanduiding voor een soort stamppot. Het is een klanknabootsend woord (een onomatopee): het doet denken aan het soppende geluid dat ontstaat als de pruttelende massa wordt omgeroerd. F.A. Stoett vermeldt dat in het Gronings het vergelijkbare koeskas voorkomt; het Engels kent mishmash ('mengelmoes'). Deze woorden hebben een herhalend element (een zogeheten reduplicatie) in zich: het eerste en tweede woorddeel zijn bijna identiek. Zo'n reduplicatie komt wel vaker voor bij klanknabootsingen, bijvoorbeeld klikklak, zigzag en piefpafpoef

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal vermeldt bij poespas: "zekere dooreengekookte spijs, een soort van weeke stamppot, gewoonlijk bestaande uit vleesch, gort (ook wel rijst) en groenten, die aan boord van oorlogsschepen tweemaal per week wordt (of werd) gegeten, als een schip zich op een reede of in een haven bevindt". Het WNT vermeldt vervolgens: "Vaak ook voor onbekende buitenlandsche spijzen, in tegenstelling met goeden vaderlandschen kost. Vandaar altijd in geringschattenden zin gebezigd."

Poespas was dus van oorsprong een 'dooreengekookte spijs', oftewel een 'mengelmoes'. Later werd poespas ook figuurlijk gebruikt voor 'warboel', 'raar gedoe'.