Waar komt de uitdrukking zijn huik naar de wind hangen vandaan?

Iemand die zijn huik naar de wind hangt, verandert zijn standpunt als hem dat verstandig lijkt. De uitdrukking heeft vaak een negatieve ondertoon: wie zijn standpunten aanpast aan de omstandigheden, staat niet achter zijn overtuigingen, maar kijkt in de eerste plaats naar wat voor hem handig of voordelig is. Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) vergelijkt de huik naar de wind hangen daarom met de uitdrukkingen met alle winden meewaaien ('geen eigen mening hebben, iedereen napraten') en 'Zoals de wind waait, waait zijn jasje' ('hij praat met iedereen mee, net zoals het hem uitkomt').

Een huik is een kledingstuk dat tot in de negentiende eeuw vaak gedragen werd. Het was een lange mantel – hij reikte tot aan de voeten – met een grote kap (een soort capuchon). Die kap liep over het hoofd heen uit in een soort punt. F.A. Stoett vermeldt dat iemand de huik op verschillende manieren over en om zich heen kon hangen. Je kon het kledingstuk dus zó schikken dat je zo veel mogelijk beschutting tegen de wind had. Hieruit ontstond de figuurlijke betekenis 'een zodanige houding aannemen dat je altijd 'beschut/gedekt' bent', en vandaar: 'je standpunten aanpassen aan de omstandigheden'. De uitdrukking bestond al in de Middeleeuwen: die hoyke tegen (of na) den wint hangen.

Andere spreekwoorden waarin kledingstukken voorkomen, zijn bijvoorbeeld iemand op zijn falie geven en iemand de mantel uitvegen ('iemand een uitbrander geven').