23 december 2008

Wat we op school leren, blijft lang hangen. Maar kennis veroudert, en inzicht schrijdt voort. Bovendien neemt je geheugen soms een loopje met je. En dat levert dan heel wonderlijke taalregels op.

"Ik heb vroeger geleerd dat het woord watersnood uit drie lettergrepen bestaat, namelijk: wa-ter-snood, dit omdat snood een apart woord is. Op de Van Dale-site staat dit anders vermeld, namelijk: wa-ters-nood. Klopt het niet wat ik vroeger geleerd heb?" Deze vraag werd onlangs gesteld aan de Taaladviesdienst van Onze Taal. Een andere vraag luidde: "Is het de RUG (Rijksuniversiteit Groningen) of het RUG? Afkortingen zijn meestal onzijdig, maar de r is volgens mij een vrouwelijke letter. Hoe zit het nu?" Twee heel verschillende vragen, die één ding gemeen hebben: ze gaan uit van niet-bestaande regels. De vragenstellers hebben op een of andere manier regels in hun hoofd zitten die ze zo nooit geleerd kunnen hebben.

Ruggegraat

Er zijn ook regels die op zich wel kloppen, maar die verkeerd worden toegepast. Zo schrijven hele volksstammen het liefst ruggegraat, omdat je aan één rug denkt. Van de officiële spelling mag dat al dertien jaar niet meer. Ook houden nog veel mensen vast aan de conventie dat er voor en nooit een komma mag staan. Maar de ideeën over het kommagebruik zijn in de loop van de jaren veranderd, en tegenwoordig vinden taaladviseurs dat er (soms) best een komma voor en kan staan.

Woordenboek

Veranderende inzichten kunnen leiden tot grote taalergernissen. Een heel bekend voorbeeld daarvan is de constructie een aantal mensen is/zijn. Vroeger had aantal altijd een eenheidsbetekenis, en vond men dus alleen het enkelvoudige werkwoord juist. Tegenwoordig kan aantal ook heel goed 'enkele' betekenen, en is het meervoud ook juist. Mensen ergeren zich ook aan veranderende betekenissen, bijvoorbeeld van regelmatig en geregeld, of van plaats en plek.

Uit onderzoek is gebleken dat mensen rond hun twintigste de woordenschat van hun moedertaal voltooid hebben; als jaren later de betekenis van een woord verandert, klopt dat niet met hun interne woordenschat, wat het gevoel geeft dat 'tegenwoordig alles maar mag'. '"Je moet er maar liever geen taalkundige bij halen," zeggen de niet-taalkundigen, "want die vindt álles goed. Wíj hebben geleerd dat er fouten zijn; tegenwoordig mag alles"', stond er over dit idee in Onze Taal - in april 1969.

Vrouwelijk bestuur

Maar hoe zit het dan met die regels die nooit bestaan hebben? Daar kunnen we alleen maar over speculeren. De aan ons voorgelegde 'regel' dat wordt ik gelanceerd juist is, omdat in de voltooide tijd achter word in de ik-vorm wél een t zou komen, zal wel samenhangen met als moeilijk ervaren regels voor werkwoordspelling. Ook verwarring over woordgeslachten is wel te verklaren. Het gaat hier om een systeem dat al honderden jaren uit het Nederlands aan het verdwijnen is. Hoe groot die verwarring is blijkt uit opmerkingen als "alle zelfstandig naamwoorden zijn vrouwelijk behalve woorden als hengst, bakker en voorzitter". Ook krijgen we regelmatig vragen als "Is het bestuur mannelijk of vrouwelijk?" (Antwoord: geen van beide, het is onzijdig.)

Zelfs de rare afbreking van watersnood moet érgens vandaan komen - misschien uit het idee dat je zo veel mogelijk letters moet doorschuiven naar de volgende regel. Of wellicht had iemand snode plannen met de vraagsteller.


Meer Nu.nl-columns van Onze Taal