Print deze pagina

Gezegde

Wat wordt bedoeld met het 'gezegde' van een zin?

Het gezegde is het zinsdeel dat aangeeft welke handeling centraal staat in een zin; het geeft aan wie of wat het onderwerp is of doet. Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord, dat soms aangevuld wordt met een naamwoord of met andere werkwoorden.

Er bestaan twee soorten gezegdes: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die in de (hoofd)zin staan, daar zit dus ook altijd de persoonsvorm bij:

  • Jan kijkt naar buiten.
  • Jan heeft naar buiten gekeken.
  • Jan had naar buiten kunnen kijken.
  • Jan, die bij het raampje zat, had naar buiten kunnen kijken.

In de vierde zin hoort zat, dat in een bijzin staat, niet bij het gezegde van de hoofdzin. Ook werkwoordelijke uitdrukkingen horen tot het werkwoordelijk gezegde.

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden en een (zelfstandig, bijvoeglijk, enz.) naamwoord; ook hier zit altijd de persoonsvorm bij. Het hoofdwerkwoord van een naamwoordelijk gezegde heet het koppelwerkwoord. Met het naamwoordelijk gezegde wordt altijd een vaste eigenschap of een toestand gegeven van het onderwerp:

  • Jan is timmerman.
  • Jan schijnt aardig te zijn.
  • Alles bleek fout.

Ook koppelwerkwoorden kunnen vergezeld worden door een hulpwerkwoord:

  • Zij is voorzitter geweest.
  • Mijn vriend wil leraar worden.
  • Mijn broertje is beklemd geraakt tussen de spijlen van de trap.

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug