Het gezegde bestaat uit minstens één werkwoord, dat soms aangevuld wordt met een (voor)naamwoord of met andere werkwoorden.

Er bestaan twee soorten gezegdes: het werkwoordelijk gezegde en het naamwoordelijk gezegde.

Werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden die in de (hoofd)zin staan. Het geeft altijd aan dat iets of iemand iets doet:

  • Jan kijkt naar buiten. (de persoonsvorm kijkt vormt in z’n eentje het werkwoordelijk gezegde)
  • Jan heeft naar buiten gekeken.
  • Jan had naar buiten kunnen kijken.
  • Jan, die bij het raampje zat, had naar buiten kunnen kijken.

In de vierde zin hoort zat, dat in een bijzin staat, niet bij het gezegde van de hoofdzin.

Ook werkwoordelijke uitdrukkingen horen tot het werkwoordelijk gezegde.

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden en een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord (of een voornaamwoord).

Het naamwoordelijk gezegde geeft altijd aan dat iets of iemand iets is. Zo bevat ‘De wind is koud’ een naamwoordelijk gezegde: er wordt uitgedrukt dat de wind iets ís, namelijk: koud. (In ‘De wind komt uit het oosten’ zit een werkwoordelijk gezegde. Hierin wordt namelijk uitgedrukt dat de wind iets dóét: uit het oosten komen.)

Het hoofdwerkwoord van een naamwoordelijk gezegde heet het koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord ‘koppelt’ een bepaalde eigenschap, functie, toestand of hoedanigheid aan het onderwerp:

  • Tomas is timmerman.
  • Kelly schijnt aardig te zijn.
  • Alles bleek fout.

Koppelwerkwoorden kunnen vergezeld worden door een hulpwerkwoord:

  • Zij is voorzitter geweest.
  • Mijn vriend wil leraar worden.
  • Mijn broertje is ooit beklemd geraakt tussen de spijlen van de trap.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar

Bel 085 00 28 428 Bel 085 00 28 428

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail