Willen: de klant wil / wilt kwaliteit
'De klant wil kwaliteit' is juist.
De vorm wil is hier eigenlijk vreemd, want in bijvoorbeeld 'De klant eist kwaliteit' en 'De klant verlangt kwaliteit' wordt er een t aan de stam van het werkwoord toegevoegd. Dat is de normale gang van zaken: na een derde persoon enkelvoud (hij, zij, het) in de tegenwoordige tijd bestaat de persoonsvorm uit stam plus t. Willen is een uitzondering op deze regel. Meer voorbeelden:
- Ik vraag me af of Anneke echt mee wil.
- Wil Frans echt niet met de trein naar Frankrijk?
- Wat ons management nou precies wil? Tja, wisten we het maar.
- Het weer wil maar niet opknappen.
- Wie wil er mee naar het Archeon?
Dat het hij wil is en niet hij wilt, heeft te maken met de geschiedenis van het werkwoord willen. De vorm wil, die wij nu gebruiken als tegenwoordige tijd enkelvoud, gaat terug op een zogenoemde aanvoegende wijs (een 'wensende wijs' of 'optatief'). In een oude grammatica, die van W.G. Brill (1871), wordt over willen gezegd dat dit werkwoord vroeger geen tegenwoordige tijd had, en dat de aanvoegende wijs wil(le) die functie (lang geleden) erbij heeft genomen. De vorm wille is sinds lang verouderd.
Aan zo'n aanvoegende wijs werd en wordt in de tegenwoordige tijd geen t toegevoegd; het is bijvoorbeeld ook 'Moge hij rusten in vrede' en 'Zij leve hoog.' Toen de aanvoegende wijs van willen in de loop der tijd ook als een 'gewone' tegenwoordige tijd gebruikt werd, behield de persoonsvorm wil dit kenmerk van de oorspronkelijke aanvoegende wijs: er kwam geen t achter de stam in de derde persoon enkelvoud. Daarom is hij wil nog steeds juist.
Overigens vermeldt het Woordenboek der Nederlandsche Taal dat vormen als hij wilt "tamelijk frequent" zijn aangetroffen in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. In sommige delen van ons taalgebied is hij wilt heel gewoon. Maar alleen de vorm hij wil wordt als standaardtaal gezien.




